Plaats muis hier even voor:                       De vaders van twee zieke kinderen in Kafarnaum1

                             Voorlezen           

Als je kind doodziek is ga je toch niet de deur uit. Dan laat je je vrouw niet alleen met je stervende dochter. Je enige kind2. Jij zit toch ook vol zorg en spanning! Vol verdriet. Nog maar een paar weken geleden was ze Bat Mitswa geworden3: Een Joodse vrouw die in eigen verantwoordelijkheid leven mocht. En nu? Nu lag ze daar. Doodziek, stervende4. Dan blijf je als man en vader toch thuis. Vraag je je buurman even om naar Jezus te gaan en te vragen mee te komen voor je dochter.

Maar dat deed Jaïrus niet! Hij ging zelf naar Jezus5. Dacht hij daarbij aan die wonderbaarlijke genezing van de zoon van één van de topambtenaren6 van koning Herodes Antipas7? Dat zal toch niet! Want in het leven van alledag wilde Jaïrus als leider van de synagoge8 niks te maken hebben met een ambtenaar van koning Herodes Antipas. Toch moest Jaïrus nu zijn dochter op sterven lag denken aan die wonderbaarlijke genezing.

Daarom ging Jaïrus de deur uit. Naar Jezus toe. Net zoals die ambtenaar dat deed. Of toch niet. Jaïrus bleef in zijn woonplaats Kafarnaüm9. Hooguit een kwartiertje lopen. Die ambtenaar ging helemaal naar Kana waar Jezus was10.  Kana, 27 kilometer ten westen van Kafarnaüm, midden in het bergland van Galilea. Dat kostte hem over de vaak stijgende weg zowat een hele dag. De middag was dan ook al grotendeels voorbij toen de man bij Jezus aankwam11. En meteen vroeg of Jezus met hem mee wilde gaan om zijn zoon die op sterven lag te genezen12.

Maar Jezus ging niet met hem mee. Integendeel zelfs. Jezus verweet hem dat hij alleen geloofde als hij tekenen en wonderen van Jezus zag13. Als een mokerslag kwamen die woorden bij hem binnen. Hoe kon Jezus dat nu zeggen. Hij geloofde toch dat Jezus de hevige koorts van zijn zoon14 kon stoppen. Dat had Hij toch ook bij de schoonmoeder van Petrus gedaan15. Daarom was hij helemaal uit Kafarnaüm naar Kana gekomen. Had hij zijn vrouw alleen gelaten met zijn stervende zoon.

Wanhopig smeekte hij Jezus daarom opnieuw: Kom toch alstublieft met me mee voordat mijn kind sterft16. Wat een wanhoop. Maar ook wat een vraag. Verwachtte de man echt dat Jezus met hem mee zou gaan? Het was al een uur na de middag, zowat zeven uur17. En het werd al een beetje donker. Moest Jezus dan letterlijk bij nacht en ontij met hem mee. Helemaal naar Kafarnaüm? Of…..?

Jezus hoefde helemaal niet met hem mee. Jezus zei tegen hem Ga maar naar huis, uw zoon leeft!18. En toen......Dat geloofde de man19. Weg wanhoop! Weg verlammende zorg!. In alle rust zocht de man een slaapplek voor de nacht. Om pas de volgende dag naar huis te gaan20. Ergens onderweg naar Kafarnaüm kwamen een paar van zijn bedienden hem tegemoet21 met het fantastische nieuws dat zijn zoon leeft!22. Dichterbij gekomen vroeg de man hun wanneer zijn zoon beter was geworden. Sinds gisteren een uur na het einde van de middag, zeiden de mannen23. Precies het moment waarop Jezus hem had gezegd: Ga maar naar huis, uw zoon leeft. Wat een wonder.

Maar het grootste wonder kwam nog. De man en allen in zijn huis kwamen tot geloof. En wie in Jezus gelooft heeft eeuwig leven24.

Nog altijd!

 ------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

1 Als je de 4 evangeliën met elkaar vergelijkt, valt het op dat Matteus, Marcus en Lucas wel het verhaal over de genezing en opwekking van de dochter van Jaïrus verhalen maar geen woord wijden aan de genezing van de zoon van de hoveling (topambtenaar van Herodes Antipas). Alleen Johannes vertelt over de zoon van de hoveling. Terwijl hij geen woord vertelt over de genezing van de dochter van Jaïrus.

2 Lucas 8,42b: ze was zijn enige kind.

3 Lucas 8,42a: want hij had een dochter van ongeveer twaalf jaar oud die op sterven lag

4 Volgens Matteus was de dochter van Jaïrus al gestorven toen hij naar Jezus ging. Marcus en Lucas vertellen dat het meisje toen stervende was.

5 Lucas 8,41c: Hij kwam op Jezus af, viel aan zijn voeten neer en smeekte Hem mee te gaan naar zijn huis,

6 De man had een heel belangrijke functie die hem in staat stelde bedienden in dienst te hebben (zie voetnoot bij Johannes 4 vers 51)

7 De evangelist Johannes noemt de man hoveling. (Johannes 4,46b: Er was daar een hoveling uit Kafarnaüm). Daarbij moet worden gedacht aan een ambtenaar, mogelijk zelfs een topambtenaar, aan het hof van koning Herodes Antipas. (vgl P.H.R van Houwelingen: Johannes, Het woord wordt evangelie blz 125)

8 Marcus 5,22a: Eén van de leiders van de synagoge,die Jaïrus heette,

9 Matteus 9,1 en 18a: Hij stapte weer in de boot en stak over, terug naar zijn eigen stad….. 18a:Hij was nog niet uitgesproken of er kwam een vooraanstaand man naar hen toe die zich voor Hem neerwierp

10 Johannes 4,46a: Hij ging in Galilea weer naar Kana, waar Hij van water wijn had gemaakt.

11 Zie ook de voetnoot bij Johannes 4 vers 52b. Toen de man vroeg wanneer zijn zoon beter geworden was antwoordden zijn bedienden GISTEREN

12 Johannes 4, 47b:

13 Johannes 4,48: Jezus zei tegen hem: ‘Jullie geloven alleen maar als je tekenen en wonderen ziet!’ 

14 In Johannes 4 vers 52b staat dat de koorts op het zevende uur geweken was in andere vertalingen staat : een uur na de middag

15 Marcus 1,30-31: Simons schoonmoeder lag met koorts in bed, en ze spraken met Jezus over haar. Hij ging naar haar toe, pakte haar hand vast en hielp haar overeind. Toen verliet de koorts haar, en ze begon voor hen te zorgen

16 Johannes 4,49: Maar de hoveling drong aan: ‘Heer, ga toch mee, voordat mijn kind sterft.’ 

17 Zie ook de voetnoot bij Johannes 4 vers 52. Het wonder van genezing vond plaats om een uur na de middag (Johannes 4,52) Een uur na de middag betekent dat de middag al voorbij is

18 Johannes 4,50a: Ga maar naar huis,’ zei Jezus, ‘uw zoon leeft.’

19 Johannes 4,50b: De man geloofde wat Jezus tegen hem zei. Opvallend is dat de evangelisten Matteus, Marcus en Lucas die vertellen over de genezing en opwekking van de dochter van Jaïrus, niet vertellen dat Jaïrus en zijn huisgenoten tot geloof gekomen zijn.

20 In de Bijbel staat dat de man wegging (Johannes 4,50c: en de man ging weg). Maar pas de volgende dag ging hij weer naar huis zo blijkt uit vers 51 en 52

21 Johannes 4, 51a: En terwijl hij nog onderweg was, kwamen zijn dienaren hem al tegemoet

22 Johannes 4, 51b: om te zeggen dat zijn kind in leven was. 

23 Johannes 4,52: Hij vroeg hun sinds wanneer het beter met hem was gegaan. Ze zeiden: ‘Gisteren, een uur na de middag, is de koorts verdwenen.’ 

24 Johannes 6,47 HSV: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie in Mij gelooft, heeft eeuwig leven.

-