• Klik op Lees verder bij het hoofdstuk dat je wilt lezen. (scroll down voor alle 12 hoofdstukken)
 
1 Joodse traditie geeft perspectief aan Christenen Lees verder
Zelfs als je maar zo nu en dan in de Bijbel leest, valt het op dat het evangelie van Johannes anders is dan de drie andere evangeliën. Soms is het heel compact en soms uitgebreid in de weergave van het spreken en leven van Jezus. Voor Jezus’ komst op aarde worden bijvoorbeeld relatief weinig woorden gebruikt en voor Jezus’ gebed vlak voor zijn sterven lijkt Johannes haast woorden tekort te komen
 
2 Bekering in de kerk?  Lees verder
Wie heeft nog nooit de weldaad ervaren van de koesterende zomerzon of de serene rust van vers gevallen sneeuw. Wie heeft nooit het schallend vogellied gehoord wanneer de natuur in het voorjaar weer ontwaakt. Of het ritselend gefluister van bont gekleurde bladeren in de herfst wanneer zij zich weer opmaakt voor haar winterslaap?
 
3 Jezus volgen vraagt alles. Lees verder
Als je niet beter wist zou je de mensen, die zeggen dat Johannes de Doper toch wel een beetje een zonderling was, nog gelijk geven ook. Hij woonde in de woestijn, kleedde zich als een landloper en at sprinkhanen met honing. In zijn eigen tijd was Johannes echter helemaal geen zonderling.  
 
 4 De Heer van de sabbat, bedreigd met dood en geweld. Lees verder
Hoewel de zevende dag van de week al in het begin van de Bijbel een heilige dag genoemd wordt, spreekt de Bijbel pas in de wet van Mozes over de sabbat als een heilige rustdag waarop mensen bijeen moeten komen om God te eren. We weten dus niet of en hoe bijvoorbeeld Adam, Henoch, Noach of Abraham de sabbat vierden.  
 
5 Jezus is de Christus en Zoon van God  Lees verder
Wie in Gods wet de liefde niet herkent of daarvan losmaakt, houdt een leeg omhulsel over dat hij vroeg of laat vult met menselijke regels en tradities. Want menselijke regels en tradities zitten boordevol gemakkelijk herkenbare liefde. Eigenliefde. Daarvan wisten de Farizeeërs in de tijd van Jezus alles van, zo gedroegen zij zich althans. 
 
6. Water geven, leven schenkenLees verder
Water in Israël, water in Sichar en water in Jeruzalem.
Zo vaak de nieuwsmedia informeren over de spanningen en onvrede in het Midden-Oosten, zo weinig hoor je over de belangrijkste oorzaak van het tekort aan vrede tussen Israël en de omringende landen.
Het tekort aan water.  
 
7 Het Licht van de wereld. Lees verder
Hoe opzienbarend Jezus’ optreden op de laatste dag van het Loofhuttenfeest ook was geweest, toch waren er maar weinig mensen die met vrede in hun hart naar hun huis of logeeradres waren teruggekeerd. De mensen die hun hoop voor het hier en nu op Jezus hadden gesteld, waren teleurgesteld omdat Hij op het Loofhuttenfeest het bij woorden alleen gelaten had. 
 
8. De Goede Herder. Lees verder
Wie zegt dat het oudste beroep ter wereld dat van een hoer is, spreekt anders dan de Bijbel. Het eerste beroep waarover we in de Bijbel lezen is namelijk dat van een herder. En wie denkt dat herders in de Bijbel eenzelfde te vergelijken zijn met herders in onze tijd, heeft over herders een heel ander beeld dan de Bijbel tekent. 
 
9. Brood dat eeuwig leven geeft.  Lees verder
Wie niet werkt zal niet eten en wie niet eet kan niet leven. Een logica die wij maar al te goed kennen. Een logica ook die helemaal in lijn is met wat in de Bijbel staat. Maar daarmee is niet alles gezegd, zeker niet wat de Bijbel betreft. De Bijbel gaat namelijk verder waar de logica stopt. De Bijbel vertelt dat leven meer is dan voedsel alleen. 
 
10. Over wijn en hoe de Seder Avondmaal werd. Lees verder
De Egyptische gidsen in de tempel van Edfu bij Luxor weten het zeker: de Egyptische god Osiris was de eerste op aarde was die druiven verbouwde. Hedendaagse wetenschappers weten het beter: Druiven werden voor het eerst verbouwd in Oost-Turkije even ten zuiden van de Kaukasus. Het gebied dus waarin de berg Ararat ligt, de berg waarop Noach na de zondvloed landde en vrijwel meteen druiven ging verbouwen om daar wijn van te maken. De Bijbel weet het dus heel precies: Noach was de eerste mens die ontdekte hoe hij eetbare druiven moest verbouwen en daaruit wijn kon maken.  
 
 11. De weg, de waarheid en het leven Lees verder
Dat uiterlijke vroomheid soms puur ongeloof verbergt, maakte Jezus eens duidelijk toen Hij de Farizeeërs vergeleek met witgekalkte graven. Aan de buitenkant helder wit en schoon, maar van binnen vol dood en bederf. Hij noemde de Farizeeërs slecht gewassen vaatwerk. En zei daarmee dat hun kennis van Gods wet grof egoïsme verhulde. Jezus maakte dat beschamend duidelijk door de Farizeeërs slecht gewassen vaatwerk te noemen. Van buiten helder en schoon, maar van binnen vol roof en hebzucht.  
 
12 Eind goed al goed  Lees verder
Zo onvoorstelbaar het wonder is van Jezus' geboorte, zo onvoorstelbaar is ook wat gebeuren moest om Hem geboren te laten worden. Het is dat de Bijbel het vertelt, anders zou niemand het geloven. Toen de mens dwars tegen Gods gebod in koos voor het kwaad door van de boom te gaan eten waarvan hij niet eten mocht , beloofde God dat hij eens een nakomeling zou krijgen wat het kwade voor altijd zou overwinnen. Soms leek die belofte onvervulbaar ver. Want in plaats dat de mens na Gods belofte zijn best te doen het kwade zoveel mogelijk uit zijn leven weg te doen, koos hij juist nog meer voor het kwade. 
 

6. Water geven, leven schenken.

Water in Israël.

Zo vaak de nieuwsmedia informeren over de spanningen en onvrede in het Midden-Oosten, zo weinig hoor je over de belangrijkste oorzaak van het tekort aan vrede tussen Israël en de omringende landen. Het tekort aan water1. In het voorjaar van 2000 vroeg de pers bijvoorbeeld breed aandacht voor het Wereld Water Forum in Den Haag onder voorzitterschap van prins Willem-Alexander. Haast verscholen in al dat nieuws werd echter ook gezegd dat de Zesdaagse oorlog van 1967 door Israël begonnen is om de watervoorziening in Israël zeker te stellen. Niet zo lang daarvoor kon men in de pers horen en lezen dat de verdeling van water één van de belangrijkste reden was dat het vredesberaad tussen Israël en Syrië stuk liep. Syrië is namelijk net zoals Israël en Jordanië in hoge mate afhankelijk van het water van de Jordaan en de Yarmuk, een zijrivier van de Jordaan. Vooral nadat de Turkse regering de afgelopen jaren grote stuwdammen in de bovenloop van de Eufraat en Tigris heeft laten aanleggen. De Golan-hoogvlakte is daardoor van enorme strategische betekenis geworden. Wie de Golan bezit, bezit namelijk de bronnen van de Jordaan en de onuitputtelijke waterreserves van de Hermon2. In hun drang tot zelfbeschikkingsrecht is de beschikbaarheid van water voor de Palestijnen dan ook een uiterst belangrijk geworden. Zodra de Palestijnen vrije beschikking hebben over de Gaza-strook en Westelijke Jordaanoever, hebben zij ook de beschikking over de enorme ondergrondse waterreserves in die gebieden.

Precies wat de Palestijnen zo hard nodig hebben. In de zomer van 2001 kopte de krant bijvoorbeeld 'Israël staat voor de ergste watercrisis in de geschiedenis' en meldde vervolgens dat door het uitblijven van de regen en het dalend waterniveau in het meer van Galilea, water in de Palestijnse gebieden op rantsoen gesteld was. Al een paar maanden kwam daar gedurende een aantal uren per dag geen water uit de kraan, terwijl de Israëli water in overvloed blijven gebruiken. Ook vanuit de Palestijnse gebieden3. Geen wonder dus dat de Palestijnen alle mogelijke moeite doen het zelfbeschikkingsrecht over die gebieden te verkrijgen. Of op zijn minst letterlijk waterdichte afspraken willen maken over het waterbeheer in deze gebieden4. Maar of die afspraken ook een garantie voor duurzame vrede zullen blijken te zijn, wordt door menig Midden-Oosten expert in hoge mate betwijfeld5. Sommige van hen voorspellen zelfs dat de volgende oorlog tussen Israël en de Arabische landen opnieuw over water zal gaan. Dat is precies wat de apostel Johannes zag toen hij op Patmos in de tijd vooruit mocht zien. Hij zag toen onder meer dat het opdrogen van het water in de Eufraat voor de landen ten oosten van Israël6 de aanleiding was voor een wereldoorlog die op en om Israëlisch grondgebied werd uitgevochten7.

Hoe ernstig het watertekort in onze tijd de vrede in het Midden-Oosten bedreigt, het is niet een probleem van onze tijd alleen. Tweeduizend jaar voordat Johannes zag wat meer dan tweeduizend jaar na hem zou gebeuren was het watertekort ook al de oorzaak van conflicten tussen de Joden en de Palestijnen en hun oosterburen. Ook toen bepaalde de aanwezigheid van water het strategisch belang van een gebied en was de afwezigheid van water soms oorzaak van felle strijd. Toen de Israëlieten op hun tocht door de woestijn aankwamen bij Rafidim, het huidige Wadi Refayid ongeveer 20 kilometer ten noordwesten van de Sinaï, beletten de Amelekieten hen gebruik te maken van het schaarse water dat daar was8. Toen Mozes in opdracht van God water uit de rots had laten komen, vielen zij de Israëlieten prompt aan om hen te verjagen en de nieuwe waterbron in bezit te nemen. Ook in het land Kanaän was de beschikbaarheid van water voor de Israëlieten soms oorzaak van twist en nijd of zelfs openlijk geweld. Dat begon al toen Abraham nog maar net in Kanaän was aangekomen en zijn herders ruzie kregen met die van Lot over de weidegebieden. De ruzie en beschikking over water ging zelfs zover dat het tot een zeker breuk tussen Abraham en Lot leidde. Een paar jaar later was de beschikbaarheid van water ook voor Isaäk, de zoon van Abraham, oorzaak van ruzie en nijd. Zijn herders kregen toen ruzie met de bewoners van Gerar (in de huidige Gaza-strook) over de waterputten en de bron die zij bij het graven daarvan hadden ontdekt.

Maar hoe schaars water in Kanaän ook was en nog altijd is9, toch was het een goed en vruchtbaar land voor de Israëlieten. Althans wanneer er regen valt en de natuurlijke waterreservoirs zich met water vullen. Daaraan moesten de Israëlieten na twee eeuwen Egypte heel erg wennen10. In Egypte was altijd water11. Dus ook altijd voedsel. Zelfs in droge periodes wanneer het leven in Kanaän haast onmogelijk was12. De Israëlieten waren in de tijd dat zij in Egypte woonden zo gewend aan de zekerheid van water en voedsel dat zij ook slaaf van hun materiële welvaart waren geworden. Wat leven in afhankelijkheid van en vertrouwen op God was, wisten zij eigenlijk niet meer. De uittocht uit Egypte was daarom in dubbel opzicht voor hen een bevrijding en uitzicht op nieuw leven13. Een bevrijding van de slavernij en hun afhankelijkheid van welvaart. En uitzicht op een nieuw leven in vrijheid en afhankelijkheid van God. Want God Zelf zou voor hen zorgen in het Beloofde Land. Wanneer zij zich in alles helemaal en volledig afhankelijk wisten van de HERE God en leefden zoals Hij wilde dat zij zouden leven, zou Hij altijd voldoende regen geven. Precies op tijd en voor mens en dier. Zoals gezegd waren de Israëlieten na twee eeuwen Egypte ontwend zich afhankelijk van God te weten. Dat moesten zij eerst leren voordat zij Kanaän konden binnengaan. Daarom stuurde God hen de woestijn in om daar honger en dorst lijden. Om te leren dat de HERE God zelfs brood uit de hemel en water uit de rotsen kan en zal geven als dat nodig is. Daarom was het ook zo verschrikkelijk verkeerd van Mozes en Aäron toen zij bij Meriba net deden alsof zíj water uit de rots konden geven. Dat ging namelijk dwars tegen Gods les in om alleen op Hem te vertrouwen. Daarom mochten Mozes en Aäron de Israëlieten Kanaän niet meer binnenbrengen. Want dan zouden zij wellicht hun vertrouwen op of ook op hén stellen en niet alleen op de HERE God als enige Bron van Leven.

Toen de Israëlieten eenmaal in Kanaän woonden, kregen de lessen in vertrouwen een heel ander karakter in het Sabbatsjaar en Loofhuttenfeest. Eenmaal per zeven jaar moesten zij het land een sabbat gunnen door het onbewerkt te laten en niet te zaaien of te oogsten. Ieder jaar moesten zij het Loofhuttenfeest vieren om God te danken voor wat Hij gaf. Als herinnering aan de toch door de woestijn en de lessen in vertrouwen die God hen daar gaf, moesten zij dan in provisorische hutjes wonen met een halfopen dak. Het dak gaf beschutting, maar moest toch open zijn. Als symbool van de beschuttende schaduw van het geloof, maar tegelijkertijd zo open dat het zicht op de hemel bleef. Alleen al daarom zouden de Israëlieten nauwelijks kunnen vergeten het Loofhuttenfeest te vieren. Maar toen zij in Kanaän waren, vergaten zij het toch. Zo was er op den duur niet veel meer over van hun vertrouwen op God. In de tijd van de profeet Jeremia vertrouwden zij liever op grootmachten als Assyrië en Egypte. Pas nadat God hun in de ballingschap opnieuw een jarenlange les gaf in vertrouwen14 kreeg het Loofhuttenfeest voor hen de glans en betekenis die God wilde dat het zou hebben.

Water in Sichar.

Toen Jezus na de gevangenneming van Johannes de Doper naar Galilea terugging, wilde Hij beslist via Samaria reizen. Hoewel de discipelen heel goed begrepen dat Jezus Zich liever even niet liet zien in de plaatsen waar Johannes tot voor kort nog had gedoopt15, vonden zij het maar vreemd dat Hij juist die route koos. De route door Samaria is niet alleen veel moeilijker dan door het vlakke Jordaandal16 maar geen Jood die zichzelf respecteert zal door Samaria reizen. Joden gaan niet met Samaritanen om. Zij waren niet alleen indringers die de plaats van hun verdreven volksgenoten hadden ingenomen, maar ook heidenen die de God van de Joden alleen maar uit eigenbelang dienden maar intussen hun eigen goden trouw gebleven waren. Voor Jezus lag dat echter allemaal anders en was dat geen reden de Samaritanen te mijden17. Toen Jezus met de discipelen de dag na hun vertrek18 rond het middaguur19 bij het Samaritaanse dorpje Sichar aankwamen, besloten zij bij de bron van Jakob even uit te rusten. Toen de discipelen even boodschappen gingen doen en Jezus bij de put wachtte tot zij weer terugkwamen, kwam er plotseling een vrouw aan die water wilde putten. Dat was vreemd. Water haal je niet op het heetst van de dag; dat doe je in de avondschemering als het wat koeler wordt20. Maar dat wilde de vrouw blijkbaar niet. Want wanneer zij laat in de namiddag water zou halen, zou zij daar alle vrouwen van het dorp ontmoeten en voor de zoveelste keer hun smalende opmerkingen over haar zwalkend liefdesleven moeten aanhoren. Daar had zij onderhand meer dan genoeg van. Vooral omdat er nog nooit iemand geweest was die gevraagd had wat haar probleem nu echt was of een beetje begrip had voor haar dorst naar echte liefde en zekerheid. Op begrip en aandacht zat zij na zoveel jaren trouwens niet meer te wachten en op smalende opmerkingen over haar mislukte liefdes helemaal niet. Daarom zocht zij de hitte van de dag en dus stilte bij de put maar op om haar dagelijks portie water te halen21.

Het moet voor haar dan ook even een schok geweest zijn toen zij in de verte iemand bij de put zag zitten. Een man nog wel! Toen zij dichterbij kwam en zag dat de Man een Joodse man was, was dat gevoel van onbehagen gauw over. Joodse mannen praten niet met vrouwen22 en helemaal niet met Samaritaanse. Maar juist toen de vrouw haar kruik weer uit de put naar boven haalde, vroeg de Man haar een beetje water te geven. Verschrikt keek de vrouw op en vroeg verbaasd waarom Hij haar om water vroeg. Joden minachten Samaritanen immers. Met mensen die je minacht, ga je niet samen eten23. Laat staan dat je samen met hen uit dezelfde kruik drinkt. De vrouw wist echter niet dat Jezus helemaal niet wilde dat de vrouw Hem water zou geven, maar Hij de vrouw. Daarom zei Hij tegen haar dat als zij geweten zou hebben wie Hij was, zij Hem al veel eerder om water zou hebben gevraagd. Dan zou Hij het haar prompt gegeven hebben. Dat kon de vrouw nauwelijks geloven en toch intrigeerden die woorden haar. Zij vroeg de man -want dat was Jezus nog steeds voor haar- hoe hij dat eigenlijk dacht te zullen doen? Hij had niet eens een kruik bij zich. Of was hij soms machtiger dan Jakob die de put geslagen had en kon hij 'zo maar' water uit de diepe put halen? Eigenlijk wel een goede vraag, hoewel zij wel voorbij ging aan wat Jezus over levend water zei. Daarover wilde Hij nu juist met de vrouw spreken. Hij zei daarom tegen de vrouw dat wie het water uit de put drinkt weer dorst krijgt, maar wie het water drinkt dat Hij geeft nooit meer dorst zal hebben. Sterker nog, wie het water drinkt dat Hij geeft, zal zelf een bron van levend water worden! Dat leek de vrouw wel wat. Nooit meer met kruiken sjouwen en voor altijd verlost van de smalende opmerkingen van de vrouwen! Dat water wilde zij wel. Maar Jezus gaf het haar niet, nog niet. Wel vroeg Hij aan de vrouw om haar man op te halen.

Toen sloeg de schrik de vrouw pas echt goed om het hart. Was die Man soms een Joodse priester. Sprak Hij daarom met haar over levend water? Wilde Hij haar, naar de wet van Mozes, soms dat water vermengd met straatvuil laten drinken? Om haar te ontdekken aan haar overspel! Dat nooit! Daarom zei zij haastig dat zij geen man had. Dat was nog waar ook. Maar verhulde wel de waarheid. Want de man met wie zij nu na vijf mislukte huwelijken samenwoonde was haar man niet. Toen Jezus de vrouw op die manier met haar eigen realiteit confronteerde, wist de vrouw helemaal niet meer hoe zij het had! Die Man was niet alleen een priester, Hij was ook nog een profeet! Hoe kon Hij anders weten hoe zij leefde! Haastig probeerde de vrouw daarom de aandacht van haarzelf af te leiden en vroeg Jezus waar de HERE God nu eigenlijk aanbeden moest worden. Is dat in Jeruzalem, zoals de Joden beweerden, of kon dat net zo goed -of zelfs beter- op de berg Gerizim zoals de Samaritanen gewend waren. Want de Joden beweerden wel dat de berg Moria, de berg waar Abraham moest bewijzen dat hij volkomen op God vertrouwde, de berg is waar later de tempel gebouwd werd. Maar dat was nog maar de vraag. Volgens de Samaritanen lag de streek Moria in de buurt van de berg Gerizim24.

Daarop duidde ook de naam Moré, het eikenbos bij Sichem. De plaats die bij uitstek spreekt van vertrouwen op de HERE God. Want toen God tegen Abraham gezegd had huis en haard te verlaten om naar een vreemd land te gaan om daar in welvaart uit te groeien tot machtig volk, hoorde Abraham jarenlang niets meer van God. Pas toen hij in Kanaän was aangekomen nam God weer contact met hem op. Bij Sichem, waar hij opnieuw de belofte kreeg dat het hele land voor hem en zijn kinderen zou zijn. Nog wel op een moment dat Abraham nog helemaal geen kinderen had en Sara onvruchtbaar was en te oud om nog kinderen te krijgen. Toch geloofde Abraham de HERE God en vertrouwde hij erop dat Hij zou doen wat Hij had beloofd. Daarom bouwde hij toen daar zijn eerste offeraltaar in Kanaän en werd Sichem, om zo te zeggen, de eerste gebedsplaats in Kanaän. Sichem was ook de plaats waar Jakob bij zijn terugkeer in Kanaän zijn hele familie eens en voor altijd liet breken met de afgoden en hen voor de HERE God liet kiezen. Daarom bouwde ook hij bij Sichem een altaar voor de HERE God. Toen honderden jaren later de Israëlieten na hun bevrijding uit Egypte in Kanaän aankwamen om daar te wonen, liet Jozua hen uitgerekend bij Sichem definitief breken met de afgoden en helemaal voor God te kiezen met de ‘Akkoorden van Sichem’.

De vraag van de Samaritaanse vrouw waar God aanbeden moest worden was dus eigenlijk helemaal niet zo’n vreemde vraag. Het getuigde in zekere zin van groot historisch besef en diep religieus inzicht. Toch maakte zij met haar vraag opnieuw een heel omtrekkende beweging en leek zij voorbij te gaan aan de kern van Jezus' woorden. Want wat had die kerkelijke kwestie nu met haar privéleven te maken? Toch niets! Hoe kwam zij er in vredesnaam bij om juist daarover te gaan praten? Onbegrijpelijk! Maar doen wij soms niet precies eender wanneer iemand ons een indringende vraag stelt over ons persoonlijk geloofsleven? Maken wij dan ook niet liever een omtrekkende beweging? Is de liturgie dan bijvoorbeeld niet ineens veel belangrijker? Of het vervagend kerkbesef van anderen? Daar kan je als broeders gemakkelijk een hele avond over doorpraten. En na afloop ook nog dankbaar en tevreden zeggen dat het toch mooi is dat je als broeders zo open en van tot hart kunt praten over de dienst aan God. Inderdaad, maar intussen ben jij wel buiten schot gebleven! Net zoals de Samaritaanse vrouw. Of toch niet. Want met haar omtrekkende beweging had zij, of zij wilde of niet, toch wel de kern van het goede nieuws van de HERE God geraakt! Door de komst van Jezus was het immers niet langer van belang wáár mensen bidden, maar hoe zij bidden. Toen Jezus dat tegen de vrouw zei, bedacht zij ineens dat die Man bij de put wel eens de Messias kon zijn. Want net zoals de Joden geloofde zij in de komst van de Messias. Net zoals zoveel Samaritanen meende zij stellig dat de Messias ook naar Samaria komen om het goede nieuws van God te vertellen! Maar zij durfde het haast niet te vragen. Dat hoefde ook niet. Jezus zei het haar zonder dat zij het vroeg!

Dat was eigenlijk een wonder op zichzelf. Nog nooit eerder had Jezus zo concreet tegen een mens gezegd dat Hij de Messias was. Ook niet tegen de discipelen, die juist op dat moment terugkwamen met de boodschappen doen. Verbaasd zagen zij al op afstand dat Jezus met de vrouw sprak. Maar Hem vragen waarom Hij dat deed of waarover Hij sprak durfden zij niet. De vrouw daarop aanspreken was niet bepaald naar de gewoonte van toen en daar. Trouwens daarvoor kregen zij niet eens de kans. Want de vrouw wist niet hoe gauw zij naar het dorp moest gaan om te vertellen wat haar was overkomen. Zij vergat zelfs haar kruik water mee te nemen. Zou die Man echt de Christus zijn? Dat moest haast wel. Hij wist immers precies hoe groot de puinhoop was van haar liefdesleven! Dat moest zij aan haar dorpsgenoten vertellen! Zij vergat zelfs dat zij al jarenlang haar dorpsgenoten gemeden had om niet te hoeven vertellen over haar huwelijksleven! Zo gaat dat wanneer je Jezus’ woorden indrinkt. Dan word je een fontein van leven gevend water en moet je spreken ook al wilde je niet. Dan brengen, zoals bij de Samaritaanse vrouw, zelfs de verhalen over je mislukkingen mensen ertoe om naar Jezus te luisteren en in Hem te gaan geloven. Zulke wonderen gebeuren wanneer Gods Geest bezit van jou neemt!

Water in Jeruzalem.

Toen Jezus een paar dagen later in Galilea aankwam, werd Hij daar tegen Zijn verwachting in heel hartelijk ontvangen en geloofden veel mensen dat Hij werkelijk een groot profeet was. Vooral toen Hij duizenden mensen te eten gegeven had met maar vijf broodjes en twee visjes. Er waren zelfs mensen die meenden dat Hij de nieuwe Elia was die God beloofd had te sturen. Jezus’ eigen broers25 dachten daarover echter heel anders, zij geloofden er niets van dat Hij de Christus was. Zij vonden dat wanneer Hij werkelijk zo machtig was als de mensen meenden, Hij maar naar Judea gaan en daar laten zien wie Hij was. In het najaar, tegen de tijd dat veel mensen naar Jeruzalem zouden gaan om Grote Verzoendag en het Loofhuttenfeest te vieren26 zeiden zij dat ook met zoveel woorden tegen Hem. Maar dat leek Jezus niet te willen. Hij zei althans tegen Zijn broers dat zij maar zonder Hem moesten gaan. Niet dat Hij het Loofhuttenfeest zou overslaan, maar Hij ging liever wat later en alleen. Want het Loofhuttenfeest overslaan zou Jezus nooit doen. Hij was immers net zoals iedere Jood aan de wet van Mozes gebonden. En wilde daarom beslist, net zoals iedere gelovige Jood, het Loofhuttenfeest in Jeruzalem te vieren en tien procent van Zijn inkomen naar de tempel te brengen als dank aan God voor alles wat Hij gaf naar lichaam en geest. Ook Hij wilde met al Zijn volksgenoten in loofhutten wonen en het gebed om redding zingen. Want het Loofhuttenfeest was immers niet alleen het feest van wat was, maar vooral het feest van wat komen zal. Het tijdelijk wonen in de hutten leerde de Joden dat zij wel in het beloofde land waren, maar hun eindbestemming nog niet hadden bereikt. De offergave was symbool dat de oogst wel binnen was, maar nog niet genuttigd. Dat betekende ook dat het Loofhuttenfeest ook het feest van vertrouwen op God was,. God had immers beloofd dat wanneer het Joodse volk in vertrouwen op Hem zag, de toekomst met vertrouwen tegemoet kon worden gezien. God woonde immers bij Zijn volk!

Daarom werd de tempel van Salomo pas 11 maanden nadat de bouw voltooid was27 ingewijd, op het Loofhuttenfeest. En werd na de ballingschap het nieuwe begin van de offerdienst in de tempel uitgerekend op het Loofhuttenfeest gemaakt! Dat de typisch Joodse ceremonie zo innig met het Loofhuttenfeest vervlochten was, betekende echter niet dat het Loofhuttenfeest een feest was voor de Joden alleen. Integendeel zelfs, het Loofhuttenfeest was, meer nog dan de andere Joodse feesten, een feest voor alle volken op aarde. Daarop was de liturgie en ceremonie van het feest juist heel nadrukkelijk gericht. Tijdens het feest moesten namelijk zeventig stieren geofferd worden. Zeventig, voor de Joden het symboolgetal van alle volken op aarde. En aan het begin van het Loofhuttenfeest moesten de Joden een loelav-stel maken28 een bosje takken van vier verschillende bomen29 waarmee zij tijdens het feest naar de vier windstreken moesten zwaaien30 als symbool van Gods universele vrede voor alle volken op aarde. Wat dat betreft is het eigenlijk vreemd dat wel de eerste twee Joodse oogstfeesten, Pasen en Pinksteren,  een plaats in de nieuwtestamentische kerk kregen maar het Loofhuttenfeest als meest universele oogstfeest nauwelijks meer werd dan een dankstond voor gewas en arbeid31.

Wat zou het toch mooi geweest zijn wanneer, zoals het Joodse Pascha het nieuwtestamentische Paasfeest werd32 en het Wekenfeest het nieuwtestamentische Pinksterfeest33, het Loofhuttenfeest een volwaardige en opvallende plaats in de nieuwtestamentische kerk gekregen zou hebben. Vooral omdat het Joodse Loofhuttenfeest een heel wezenlijk verschil met het christelijke geloof demonstreert. Tijdens het Loofhuttenfeest wonen de Joden namelijk in provisorische hutten met halfopen dak. Voor hen betekent dat niet minder dan dat zij rechtstreeks in gebed tot God kunnen gaan en dat God hen op aarde ziet zodat Hij weet wat Zijn kinderen nodig hebben. Dat betekent dat de weg naar God open is. De Joden hebben dan ook niemand nodig om tot God te gaan. Daarin verschilt het christelijke geloof principieel. Christenen geloven dat de weg naar God voor mensen open is omdat Jezus die weg weer open gemaakt heeft en dat zij daarom alleen dankzij Hem en door Hem tot God gaan. Wat zou het daarom mooi geweest zijn, en misschien wel heel erg terecht, wanneer het Loofhuttenfeest het christelijke feest van de komst en wederkomst van Jezus was geworden34. Het feest dus van de nieuwe hemelaarde. Want zoals Abraham in vertrouwen op God uitzag naar de stad die God Zelf had gebouwd zien Christenen in vertrouwen uit naar het nieuwe Jeruzalem waar God voor altijd bij hen zal wonen.

Voor de Joden in Jezus’ tijd lag dat nieuwe Jeruzalem overigens wel heel ver achter de horizon. Het nieuwe Jeruzalem dat zij verwachtten was een aards Jeruzalem. Een Jeruzalem voor het hier en nu, waar niet de Romeinen maar zij het voor het zeggen hadden35. Dat stempelde heel hun denken en voedde hun verlangen naar de komst van de beloofde Messias. Vooral op het Loofhuttenfeest wanneer het water op het altaar werd gestort. Want daarop doelde de profeet Zacharia immers toen hij sprak over het Loofhuttenfeest als feest voor alle volken op aarde. Dat hadden hij en de profeet Ezechiël voor ogen toen zij spraken over leven gevend water dat uit Jeruzalem zal stromen voor eeuwig en altijd. Vanwege de Romeinse overheersing stond dat de mensen in de tijd dat Jezus optrad heel helder voor ogen. Omdat Hij al eens over leven gevend water had gesproken, zagen veel mensen36 gespannen uit naar wat Jezus op het Loofhuttenfeest zou doen. Heel veel mensen spraken over Hem. Heel stiekem weliswaar omdat de Joodse leiders Hem zochten om Hem te kunnen doden. Halverwege het feest liet Jezus echter Zijn aanvankelijk voorzichtigheid varen door de mensen openlijk op het tempelplein toe te spreken. Wonderlijk genoeg was er toen echter geen Farizeeër die Hem ook maar een strobreed in weg legde. Het leek wel of zij hun mening over Hem hadden herzien. De mensen vonden daarom Zijn opmerking dat de Farizeeërs Hem wilden doden dan ook wel wat overdreven. Maar zo overdreven was die opmerking niet. Want toen Jezus zei dat Hij van God kwam en door God gezonden was, bleek dat de Farizeeërs helemaal niet van mening veranderd waren. Om die uitspraak en om wat de mensen over Hem zeiden stuurden zij de tempeldienaars op Jezus af om Hem gevangen te nemen. Daarmee leek de kans dat Hij nog tijdens dat Loofhuttenfeest tot bijzondere daden zou overgaan vervlogen.

Toen Jezus echter zei dat Hij ergens naartoe zou gaan waar mensen hem niet konden vinden of volgen herleefde die hoop weer. Ging Hij naar de Joden in de verstrooiing of zou Hij andere volken gaan bekeren? Dat zou mooi zijn, want dat was precies wat de profeten hadden voorzegd dat eens op het Loofhuttenfeest zou gebeuren37! Vrijwel alle mensen keken daarom buitengewoon gespannen uit naar wat Jezus zou doen op de laatste dag en hoogtepunt van het feest. Want die dag stond, nadat zij tijdens de eerste zes dagen door de voorlezing van het boek van de Prediker erbij bepaald waren dat het leven van een mens eigenlijk zinloos is als hij het zicht op God is kwijtgeraakt, helemaal in het teken van vertrouwen op God. Dat begon al vroeg in de ochtend wanneer men in optocht naar de vijver van Siloam ging om een kruik met water te vullen en die vervolgens onder luid gejuich en gezang naar de tempel bracht die daar door de priester op het altaar zou worden leeggegoten.

Zo was dat ook op de voorgaande dagen van het feest gebeurd. Dat het waterstorten in de tijd van Jezus zo'n opvallend belangrijke plaats in de ceremonie van het Loofhuttenfeest had gekregen, was eigenlijk wel een beetje vreemd. Want nergens wordt in de Bijbel daarvoor een voorschrift gegeven. Maar ook praktisch gezien was het vreemd dat men helemaal naar de vijver van Siloam ging om daar water te halen. Zeker in de tijd van Jezus. Want door het aquaduct dat Herodes en Pilatus hadden laten aanleggen, werd water uit de Vijver van Salomo38 naar de tempel gebracht. Maar hoe zuiver -levend noemt de Bijbel dat- dat water ook was, toch werd dat water niet op het Loofhuttenfeest gebruikt om op het altaar te worden gestort. Het water uit de vijver van Salomo was eigenlijk Romeins water en sprak van vertrouwen op de Romeinen. Dat kon niet in de tempel gebruikt worden. Want in de tempel, en vooral op het Loofhuttenfeest, moest alles spreken van vertrouwen op God! Daarom was het water uit de vijver van Bethesda zelfs niet goed genoeg. Praktisch gezien zou dat water ook in aanmerking komen.

De vijvers lagen zelfs dichterbij de tempel dan de vijver van Salomo. Maar ook symbolisch gezien kwam dat water, dat sprak van hoop en perspectief op leven, kwam dat water eigenlijk wel heel erg in aanmerking om op het altaar te worden gestort. Maar, zoals gezegd, ook dat water was niet goed genoeg. Wel het water uit de vijver van Siloam. Want historisch gezien sprak het water uit de vijver van Siloam, meer dan welk water ook, van vertrouwen. Door het water uit de vijver van Siloam kon iedereen in Jeruzalem de toekomst met vertrouwen tegemoet zien. Dat water zorgde namelijk dat er altijd water in Jeruzalem was. Met dat doel had koning Hizkia de vijver juist laten aanleggen en via een ondergrondse tunnel verbonden met de juist buiten muren van Jeruzalem gelegen Gihon-bron. Of beter gezegd met de Gihon. Want Gihon betekent bron en staat voor leven schenkend water. De Gihon was al in de hof van Eden één van de vier rivieren die de hele aarde vruchtbaar maakten. Het zwakke punt van de Gihon-bron bij Jeruzalem was echter dat zij net buiten de muren lag39. Vijandige troepen konden bij een belegering van de stad de bron gemakkelijk bezetten en vervolgens de watervoorziening naar de stad afsnijden. Dat was precies wat de Assyrische generaal Rabsaké deed om Jeruzalem tot overgave te dwingen. Toen dat gebeurd was, liet hij koning Hizkia vragen waarop hij daarna zijn vertrouwen nog dacht te stellen.

Op water uit de bron hoefde hij niet te rekenen. Op de HERE God evenmin. Want tot dusver was er nog geen volk op aarde geweest dat door te vertrouwen op hun god had weten te ontkomen uit de macht van de Assyrische legers. Trouwens op de God van de Joden hoefde Hizkia helemaal niet te rekenen nadat hij Gods altaren op de heuvels van Judea had laten afbreken. Maar daarin vergiste Rabsaké zich. De altaren die Hizkia had laten verwijderen waren geen altaren van de HERE God, maar altaren van de afgoden. Hizkia was juist een koning die helemaal op God vertrouwde! Daarom vertrouwde hij en zijn onderdanen niet op Rabsaké’s belofte van vrede en welvaart, maar gaven zij zich in vol vertrouwen over aan de HERE God. Dat was de enig goede keus. Dat bleek wel toen de HERE God Zelf in één nacht de hele Assyrische legermacht doodde! Zo werd het water van de vijver van Siloam voor de Joden hét symbool van vertrouwen op de HERE God. Daarom paste dat water ook helemaal in de liturgie van het Loofhuttenfeest. Vooral wanneer het water uit de vijver op het altaar in de tempel werd gestort. Water storten had voor de Joden namelijk ook alles te maken met verootmoediging voor en volkomen overgave aan de HERE God. Wanneer op het Loofhuttenfeest het water uit de vijver van Siloam op het altaar werd gestort en het tempelplein bevochtigde, was dat teken en zegel, de garantie, dat God voor regen zou zorgen en daarmee voor voedsel. Het was ook de garantie dat het water dat via de holle wanden van het altaar naar de fundamenten van de tempel stroomde, eens daar weer vandaan zou komen als een leven schenkende stroom voor eeuwig en altijd.

Juist in de tijd van Jezus werd het Loofhuttenfeest heel sterk vanuit die dubbele symboliek van vertrouwen voor nu en later gevierd en beleefd. Zo ook op het laatste Loofhuttenfeest dat Jezus als mens op aarde zou vieren. Op de laatste dag en hoogtepunt van het feest was Jezus in de tempel en liep met de duizenden op het tempelplein zeven keer rond het altaar en zong ook Hij luidkeels het Hosjana, God helpt ons. Zij liepen daar in afwachting van de mannen die in de vroege ochtend met de dienstdoende priester naar de vijver van Siloam gegaan waren om daar de gouden kruik met water uit de vijver te vullen. Toen de mannen met de kruik op het tempelplein aankwamen werden zij daar door de duizenden mensen, meest pelgrims, met luid gejuich ontvangen. Of beter gezegd werd de kruik met water onder luid gejuich en schetterende muziek de treden van het altaar opgedragen. Eenmaal boven en zichtbaar voor iedereen werd de muziek, het zingen en het gejuich letterlijk oorverdovend. Want zodra de priester de kruik omhoog hief zong iedereen en uit volle borst zeven keer het Hosjana, het gebed om redding en welvaart. En dan werd het stil. Doodstil. Want iedereen moest horen hoe het water zich klotsend een weg zocht naar de fundamenten van de tempel. Juist op dat moment van doodse stilte waarin alleen het stromen van het water op het altaar te horen is, is daar die stem. De stem van Jezus : “Wie dorst heeft komt maar bij Mij en zal zelf een fontein van water worden!” Reken maar dat er een schok door de menigte ging. In die doodse stilte, ineens die stem40! Maar niet alleen dat, ook die woorden! Een fontein van water? Wat bedoelde Hij daarmee? Zoiets als het aquaduct dat Pilatus had laten bouwen41? Of citeerde Hij met die woorden de profeet Jesaja? Maar zo sprak een mens toch niet! Zeker niet op het Loofhuttenfeest! De woorden van Jesaja waren immers de woorden die hij namens de HERE God aan mensen moest doorgeven. Woorden van God om op Hem te vertrouwen! Moesten zij soms hun vertrouwen nu ineens op Jezus stellen? Nog wel uitgerekend op het Loofhuttenfeest, het feest van vertrouwen in de HERE God! Was Hij soms een profeet? Of de Christus? Was toch waar wat Johannes de Doper van Hem had gezegd, dat Hij mensen vervullen zou met de Heilige Geest? Inderdaad, maar zover was het nog niet. Eerst moet Hij nog sterven en naar de hemel teruggaan.


1 In 1994 hebben Israëlische wetenschapsmensen berekend dat rond de eeuwwisseling de watervoorziening in Israël in ernstige problemen zal komen, zelfs met behoud van de omstreden gebieden. En Dr. Jad Isaäc, hoofd van het Instituut voor Toegepast Onderzoek in Bethlehem, heeft verklaard dat zolang Israël geen rechtvaardige verdeling van water accepteert, er geen sprake kan zijn van een rechtvaardige vrede in het Midden-Oosten. Mohammed Abdulrazzah, een waterexpert van ESCWA (Sociaaleconomische Raad voor West-Azië) zei eind 1999 dat zolang niet gewerkt wordt aan een verbeterde vertrouwensrelatie in het Midden-Oosten, daar niets veranderen zal. De enige weg vooruit is samenwerking waarbij hydro-diplomatie essentieel is.

2Het meer van Galilea is met betrekking tot de watervoorziening eigenlijk een groot spaarbekken waarin al het water van de Jordaan en Yarmuk verzameld wordt. Ruim een kwart van de totale waterbehoefte in Israël wordt met het water uit dit meer gedekt. Zelfs tot in de Negev-woestijn in het zuiden van het land waarheen het met gigantische pompinstallatie wordt gepompt. Ook Jordanië ontvangt water uit het meer van Galilea. In het vredesverdrag tussen Israël en Jordanië van 1994 is bepaald dat Israël jaarlijks 50 miljoen kubieke meter water aan Jordanië zal leveren en dat beide landen zullen samenwerken om nieuwe waterbronnen te ontwikkelen. Want het water uit het meer van Galilea is niet onuitputtelijk. Eind 2000 was het waterniveau in het meer door uitblijvende regen en de verhoudingsgewijs bovenmatige afname zo ver gedaald dat de Joodse minister Avraham Shokat onderhandelingen met Turkije is gestart om boven het water dat Israël al uit Turkije betrekt nog eens 15 tot 25 miljoen kubieke meter per jaar geleverd te krijgen voor een periode van 5 tot 10 jaar.

3 Eénderde van het drinkwater dat in Israël gebruikt wordt, pompt Israël weg uit de voorraden onder de Palestijnse gebieden. Dat is 450 miljoen kubieke meter water per jaar. Voor de Palestijnen blijft daardoor niet meer dan 150 miljoen kubieke meter water over.

4 In het voorlopige akkoord van 1995 van Israël met de Palestijnen is daarom bepaald dat een watercommissie zal worden ingesteld die de waterbronnen in beide gebieden zal beheren en die toe moet zien op een eerlijke verdeling van het water.

5 Dat er van de afspraken niet zoveel terecht komt blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat de Joden wel nieuwe bronnen slaan in het gebied van de Westelijke Jordaanoever, maar dat voor de Palestijnen uitdrukkelijk verboden was dat te doen. En de bronnen die de Palestijnen hebben zijn hooguit 100 tot 150 meter diep, wat betekent dat water niet altijd gegarandeerd is en zeker niet de kwaliteit. Joodse bronnen zijn veel dieper, wel 400 tot 600 meter en reiken diep in de buitengewoon rijke waterreserves van de Westbank.

6 Wanneer de 22 stuwdammen in Turkije gereed zijn zal ook Irak in ernstige moeilijkheden komen m.b.t. de watervoorziening. Pikant detail hierbij is dat in onze tijd op grote schaal (20 tankers per dag) water vanuit Turkije (uit de rivier Manavgat via de gelijknamige havenplaats) naar Israël geëxporteerd wordt. Uitgerekend Turkije, het land dat Irak in de problemen bracht, exporteert water naar het land dat door Irak gehaat als geen land ter wereld!

7 De Bijbel omschrijft die oorlog als de slag bij Armageddon (Openbaring 16,16). Armageddon komt van Har Megiddo, heuvel van Megiddo. Of, beter gezegd, de archeologische heuvel (tel) bij Megiddo. Want in de omgeving van Megiddo is geen heuvel te vinden. Bij Megiddo vonden in vroeger tijden alle grote veldslagen plaats. (Rechters 5,19a en 2 Koningen 23,29)

8 In veel Bijbelvertalingen lijkt het erop dat er bij Rafidim helemaal geen water was. (Exodus 17,1b) Volgens sommige bijbelverklaarders zou de grondtekst echter eerder aangeven dat geen gebruik van het water gemaakt kon worden dan dat er bij Rafidim helemaal geen water was.

9 In het najaar van 1999 stond bijvoorbeeld in de krant dat het in Israël voor het eerst in 7 maanden weer geregend had. En in Syrië was het tekort aan regen zo nijpend dat het volk opgeroepen werd te bidden om regen.

10 Hoewel in Exodus 12 verteld wordt dat de Israëlieten 430 jaar in Egypte hebben gewoond (Exodus 12,40), zegt Paulus dat tussen de verbonds- sluiting met Abraham en de vernieuwing daarvan op de Horeb 430 jaar heeft gelegen (Galaten 3,17). Dat laatste zou erop duiden dat de Israëlieten maar ongeveer 200 jaar in Egypte hebben gewoond. Dus ongeveer 4 generaties, zoals de HERE God tegen Abraham gezegd had (Genesis 15,13-16).

11 Daarom zal Egypte ook anders gestraft worden dan andere landen wanneer het weigert God te aanbidden op het Loofhuttenfeest van de eindtijd. (Zacharia 14,17-19)

12 Alle drie de aartsvaders, Abraham, Isaäk en Jakob, trokken daarom naar Egypte toen de hongersnood in Kanaän toesloeg. (Resp. Genesis 12,10, Genesis 26,1 en Genesis 43)

13 Het Paasfeest, aan het begin van de lente, was van oudsher het feest van het nieuwe leven. Voor de Israëlieten had het dan ook een heel diepe betekenis dat zij juist met Pasen bevrijd werden van hun slavernij

14 Omdat de Israëlieten niet op God hadden vertrouwd dat Hij ook in het sabbatsjaar voor hen zou zorgen (Leviticus 25,20-22), hadden zij het sabbatsjaar niet gehouden (Leviticus 25,1-4). Daarom moesten zij zeventig jaar in ballingschap in een ander land wonen opdat het land de rust zou krijgen die zij het hadden onthouden (2 Kronieken 36,21).

15 Johannes doopte in het hele stroomgebied van de Jordaan. Met name bij Bethanië en Aenon, twee plaatsen die op de Jordaanroute van Judea naar Galilea lagen.

16 Hoewel de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan een verhaal was, was het wel een levensecht verhaal dat aansloot op de ervaringen van mensen. En dat betekent dat ook Samaritanen doorgaans via Jericho en het Jordaandal reisden.

17 Later zou Jezus ook via Samaria naar Jeruzalem terugkeren. (Lucas 9,52)

18 Algemeen neemt men aan dat Sichar hemelsbreed ongeveer 15 km ten ZO van Samaria moet hebben gelegen en een kleine 40 kilometer ten noorden van Jeruzalem.

19 In tegenstelling tot de andere evangelisten volgt de evangelist Johannes de Romeinse uurtelling volgt. Het zesde uur is dan niet zoals in andere evangeliën 12 uur ’s middags maar 6 uur ’s avonds, dus vlak voordat het donker wordt.

20 Toen de rentmeester van Abraham een vrouw voor Isaäk moest zoeken, ging hij, toen hij in Irak vlakbij de woonplaats van Nahor was aangekomen, tegen de avond vlakbij een waterput zitten omdat de vrouwen en meisjes dan daar water zouden halen (Genesis 24,2-11).

21 In eerder verschenen Bijbelvertalingen wordt gemeld dat de vrouw op het zesde uur naar de waterput ging. Omdat Johannes de Romeinse uur telling volgt, zou dit om zes uur ’s avond zijn geweest (zie eerder toelichting). In de NBV wordt het zesde met het middaguur vertaald. Heel terecht. De vrouw zou juist op het stille uur naar de put zijn gegaan. Dan zou zij daar niemand aantreffen.

22 Ook in onze tijd zijn Joden niet gewend om in het openbaar met vrouwen te spreken. Zelfs met hun eigen vrouw spreken zij nauwelijks of niet over religieuze zaken.

23 Omdat de Egyptenaren de Joden minachtten, wilden zij niet met de broers van Jozef aan dezelfde tafel eten. (Genesis 43,32)

24 In de vierde eeuw voor Christus hebben de Samaritanen een tempel op de Gerizim gebouwd. Die tempel werd overigens in 129 voor Chr. verwoest door Johannes Hyrkanus, één van de Makkabeeën en een Saduceeër.

25 Hoewel Mattheus uitdrukkelijk vertelt wie de broers van Jezus waren (Matteus 13,55b), menen veel mensen dat Jozef en Maria nooit geslachtsgemeenschap met elkaar hebben gehad en dat Mattheus met de broers van Jezus Zijn neven bedoeld heeft. In het Midden-Oosten was en is het tot op de dag van vandaag heel gebruikelijk neven en nichten broers en zusters te noemen. In onze tijd wordt ook meer en meer de mening gehoord dat Jozef een weduwnaar was die, toen hij de 16-jarige Maria trouwde, al 4 zoons en 2 dochter had.

26 Na de ballingschap waren de Israëlieten gewend al aan het begin van de zevende maand naar Jeruzalem te gaan (Ezra 3,1) om ook Grote Verzoendag te kunnen vieren

27 De bouw van de tempel kwam klaar in de achtste maand (1 Koningen 6,38a) en werd ingewijd in de zevende maand.

28 Op de eerste dag van het Loofhuttenfeest maakt men een loelav-stel, een bundel twijgen van de vier loofbomen waarmee ook de loofhutten moesten worden gebouwd. (Leviticus 23,40).

29 De vier takken waaruit het loelav-stel bestaat hebben ieder een bepaalde geur en smaak. De verschillende geuren of smaken (of juist het ontbreken daarvan), symboliseren de mate waarin de mensen de Tora kennen en daaruit leven. Een tak met smaak symboliseert een mens die de Tora kent en een tek met geur een mens die naar de Tora leeft. De tak van de citrusboom (etrog) heeft zowel geur als smaak en is het symbool van de Jood die de Tora kent en ernaar leeft. De tak van een palmboom (loelav) heeft alleen maar smaak en geen geur; zij staat voor de Jood die wel weet wat er in de Tora staat maar er niet naar leeft. De tak van een loofboom (hadassot) staat voor mensen die maar weinig kennis van de Tora hadden maar er wel naar leefden. En de mensen die geen kennis van de Tora hebben en er ook niet naar leven werden uitgebeeld met de wilgentak (aravot) , waar geur noch smaak aan zit.

30 Of men in de tijd van Jezus het zwaaien met het loelav-stel al kende, is niet zeker. Het zwaaien met het loelav-stel is tot dusver alleen bekend uit buiten Bijbelse bronnen.

31 In onze tijd lijkt er in dit opzicht iets te veranderen. Sommige kerken organiseren in de tijd van het Loofhuttenfeest (eind september / begin oktober) een grote evangelisatiecampagne en zijn er meer en meer Christenen die niet alleen met Pasen naar Jeruzalem gaan maar ook en vooral met het Loofhuttenfeest.

32 Zoals voor de Joden het Pascha het feest van de bevrijding uit de slavernij was (Deuteronomium 16,1-3), werd het Paasfeest voor de Christenen het feest van de bevrijding uit de slavernij van de dood (2 Timoteus 1,10).

33 Van oudsher hebben de Joden een verband gelegd tussen het Wekenfeest (Sjavoet) en het ontvangen van de wet. Het Wekenfeest moest namelijk 7 weken na Pasen gevierd worden (Deuteronomium 16,9-10a). En dat was, als je de Hebreeuwse tekst goed leest, precies de tijd die ver- streken was tussen het vertrek uit Egypte met Pasen en de aankomst bij de Sinaï. ‘Na drie maanden’ kan namelijk ook betekenen ‘in de derde maand’ (Exodus 19,1) De Israëlieten meenden ook dat de opdracht die zij aansluitend kregen op de opdracht het Wekenfeest te vieren, betrekking had op de hele wet (Deuteronomium 16,12).

34 Er zijn mensen die menen dat Jezus niet in de maand december, maar ten tijde van het Loofhuttenfeest geboren is en dat Hij op de achtste dag van het feest, de afsluitende sabbat (zie later in dit hoofdstuk), besneden is. (E.v.d.Poll wijst hierop in zijn boekje 'De feesten van Israël')

35 onze tijd is dat eigenlijk nog net zo. Met dit verschil dat de Romeinen van toen de Palestijnen van nu zijn geworden.

36 Niet iedereen zag gespannen naar wat Jezus zou doen. Er waren ook mensen die Hem een oplichter vonden. (Johannes 7,12b)

37 Dat de Joden uit de verstrooiing op een Loofhuttenfeest zouden worden teruggebracht naar Jeruzalem blijkt wel uit de woorden van Jesaja als hij hen vergelijkt met de offergave (van wijn) in de oogsttijd, dat juist op het Loofhuttenfeest wordt gebracht (Jesaja 66,20).

38 De vijver van Salomo ligt vlakbij Bethlehem, 12 kilometer van de tempel verwijderd.

39 Dat was ook de reden dat Hizkia de bron door een ondergrondse tunnel met de vijver van Siloam had verbonden

40 Volgens de kanttekeningen van de SV (en andere bijbeluitleggers) heeft Jezus de woorden van leven gevend water niet op de zevende dag van het Loofhuttenfeest tijdens het grote Waterschepfeest gesproken maar op de achtste dag van het feest. Want in de tekst waarin de evangelist Johannes spreekt over 'de laatste dag, het hoogtepunt van het feest' (Johannes 7,37) wordt verwezen naar Leviticus 23,36 waarin staat dat de Joden de dag na het Loofhuttenfeest als een sabbat moeten vieren. Belangrijk argument daarbij is dat in Johannes 8 verteld wordt dat op de dag na het Loofhuttenfeest de Farizeeërs een vrouw bij Jezus brachten die overspel bedreven had (Johannes 8,2-3a). Dat zouden zij, zo menen sommige bijbeluitleggers, nooit doen wanneer die dag als een sabbat gevierd werd. Of deze gedachte helemaal juist is, is echter de vraag. In de eerste plaats spreekt de evangelist Johannes in Johannes 7 over het hoogtepunt van het Loofhuttenfeest. Die uitdrukking ligt in het verlengde van de Joodse uitdrukking voor de 7e dag van het Loofhuttenfeest, de Dag van het grote Hallel. Bovendien gaat de gedachte voorbij aan het feit dat de Farizeeërs op de dag dat Jezus sprak van leven gevend water, de tempeldienaars naar Hem toestuurden om Hem gevangen te nemen (Johannes 7,32) en dat de tempeldienaars dat weigerden omdat zij onder de indruk waren gekomen van Jezus' woorden (Johannes 7,45-46). En als er één ding is wat de Farizeeërs niet op de sabbat zouden doen, is dat de tempeldienaars naar Jezus sturen om Hem gevangen te nemen. Het lijkt daarom aannemelijk dat Jezus de woorden van leven gevend water op de zevende dag van het Loofhuttenfeest tijdens het grote Waterstortfeest heeft uitgesproken. Zoals ook veel bijbelverklaarders menen die dichtbij of vanuit de Joodse traditie denken (bijv. Drs. J den Hartogh in De Joodse weg).

41 Herodes en Pilatus hadden een aquaduct laten aanleggen om water over een afstand van 12 kilometer van de vijver van Salomo naar de tempel te brengen. 

7 Het Licht van de wereld.

Hoe opzienbarend Jezus’ optreden op de laatste dag van het Loofhuttenfeest ook was geweest, toch waren er maar weinig mensen die met vrede in hun hart naar hun huis of logeeradres waren teruggekeerd. De mensen die hun hoop voor het hier en nu op Jezus hadden gesteld, waren teleurgesteld omdat Hij op het Loofhuttenfeest het bij woorden alleen gelaten had. Zij die Hem liever vandaag nog dan morgen kwijt waren, waren kwaad dat de tempeldienaars die Hem gevangen moesten nemen, zo onder de indruk kwamen van Zijn woorden dat zij dat ronduit geweigerd hadden. Helemaal teleurgesteld waren de Joodse leiders toen hun overleg daarna ook nog eens op niets uitliep door de formele opstelling van Nicodemus.

 

Maar het meest teleurgesteld moet toch Jezus Zelf zijn geweest. Want afgezien van een enkeling, zagen de mensen in Hem niet meer dan een profeet en geloofden zij niet in Hem om wie Hij was maar om wat Hij deed. Jezus is daarom de nacht na het Loofhuttenfeest naar de Olijfberg gegaan. Om daar alleen te zijn en te bidden. Sinds mensenheugenis was de Olijfberg voor de Joden een vertrouwde gebedsplaats en Jezus ging wel vaker alleen de bergen in om te bidden. Daar kwam bij dat door de nacht alleen door te brengen, Hij de andere dag alweer vroeg in de tempel kon zijn. Want die dag zou weer een bijzondere en drukke dag worden. Dan werd het Loofhuttenfeest afgesloten met een feestelijke rustdag en begon het Sjemini Atseret, de achtdaagse periode van innig samenzijn met God1. Die laatste dag van het Loofhuttenfeest en eerste dag van het Sjemini Atseret was eigenlijk de voorbereiding op de daarop volgende dag waarop het Simchat Thora of Feest van de Vreugde van de Wet gevierd. Hoewel de Thora geen strikt voorschrift voor de viering van het Simchat Thora geeft, heeft Simchat Thora wel alles met de Thora te maken. Ook met het voorschrift de Thora regelmatig te lezen. De wet van Mozes schrijft namelijk voor dat de hele Thora eenmaal per zeven jaar -in het Sabbatsjaar om precies te zijn- op het Loofhuttenfeest wordt voorgelezen. Wat een prachtige en machtige symboliek! Uitgerekend in het jaar dat de Israëlieten niets hadden gezaaid en geoogst, moesten de Israëlieten als teken en getuigenis van hun volkomen vertrouwen op God, op het laatste en grote oogstfeest met elkaar Gods wet lezen. De leefregels waarvan God tegen hen gezegd had dat als zij zich aan die regels zouden houden, Hij zou zorgen voor ruime oogsten en voldoende eten en drinken.

 

Maar toen de Israëlieten eenmaal in Kanaän woonden was dat teveel gevraagd en werd het Sabbatsjaar niet gevierd2. Van de openbare voorlezing van de hele Thora was daardoor ook niets terecht gekomen. Na de terugkeer uit ballingschap was dat echter volkomen veranderd. Toen had het volk, terwijl het niet eens een sabbatsjaar was, zelfs uit eigen beweging aan Ezra gevraagd om op het Loofhuttenfeest de Thora voor te lezen. Het voorlezen van de hele wet duurde echter veel langer dan menigeen wellicht had verwacht! Hoewel niemand daarmee toen ook maar enige moeite had, hebben de Israëlieten in de jaren daarna een iets andere vorm voor de voorlezing van de Thora gekozen. In plaats van eenmaal per zeven jaar, werd de hele Thora ieder jaar gelezen. Niet alleen op het Loofhuttenfeest in de tempel, maar iedere sabbat volgens een vast rooster een gedeelte in de synagogen3. Zodat in één jaar tijd precies de hele Thora gelezen was. Alleen het laatste en het eerste gedeelte werd op een ander dag gelezen. Namelijk op de dag nadat het Loofhuttenfeest was afgesloten. Zo hoorde de voorlezing van de hele wet toch nog bij het Loofhuttenfeest. De hele wet. Want door aansluitend aan het laatste deel van de Thora ook het eerste deel te lezen werd de cirkel van Gods wet als het ware gesloten, waarmee tot uitdrukking gebracht werd dat de wet van God een oneindige cirkel is die geen einde kent. Dat was voor de Joden een feestelijke gedachte. Net zoals de wet zelf trouwens. Want de wet van God gaf orde in en richting aan hun leven. Gods wet was immers het licht op hun pad en maakte hun leven anders. Daarom was Simchat Thora, de dag dat Gods wet werd voorgelezen, een echte feestdag4 die met veel licht gevierd werd5.

 

Uitgerekend op de dag voorafgaand aan de dag van vreugde en licht, is Jezus naar de tempel gegaan om te zeggen dat Híj het Licht van de wereld is. En dat wie Hém volgt zal leven in het licht voor eeuwig en altijd. Wat een hoge woorden voor een mens. Nog wel vlak voor Simchat Thora! De HERE God is toch het Licht! Alleen wie Hem volgt, leeft in het licht! Hoe kwam Jezus erbij om zulke hoge woorden bij de offerkisten, dus op de voorhof van de vrouwen6, te spreken! Alsof Gods wet ook aan vrouwen uitgelegd zou mogen worden. Vrouwen tellen immers niet mee en zeker niet op godsdienstig gebied7! Maar voor Jezus lag dat anders. Hij wilde de vrouw juist de ereplaats teruggeven die God haar bij schepping gegeven had8.

 

Voor de Farizeeërs kwam het die ochtend overigens wel heel erg goed uit dat Jezus juist in de voorhof van de vrouwen sprak over het licht, over Gods wet dus. In de vroege ochtenduren was er namelijk een vrouw bij de hen gebracht die op heterdaad betrapt was toen zij de liefde bedreef met een ander dan haar eigen man. Blijkbaar had zij zichzelf op de laatste avond van het Loofhuttenfeest te ver laten gaan. Dat gebeurde wel meer tijdens het Loofhuttenfeest9 wanneer er lekker gegeten en gedronken werd van het geld dat men als tiende van de oogst had meegebracht. Hoezeer de Farizeeërs als handhavers van de wet de daad van de vrouw verafschuwden, die ochtend was de vrouw voor hen haast een geschenk uit de hemel. In haar en haar zonde meenden zij perfect 'materiaal' te hebben om een valstrik voor Jezus te zetten. Want wanneer zij Jezus zouden vragen wat er met de vrouw gebeuren moest, zou Hij altijd een 'verkeerd' antwoord geven. Gelet op Jezus' sympathie voor de plaats van de vrouw en de manier waarop Hij indertijd met de Samaritaanse vrouw in Sichar was omgegaan, lag het niet voor de hand dat Hij de slet van het Loofhuttenfeest zonder meer in het openbaar zou veroordelen. In ieder geval niet openlijk zou zeggen dat de vrouw gedood moest worden zoals de wet van Mozes eist. In dat geval hadden de Farizeeërs een ijzersterke troef in handen om Hem aan te klagen wegens wetsverachting. Bovendien zou dan maar heel weinig over blijven van Jezus' grote woorden van die ochtend dat Hij het Licht van de wereld is, het voorbeeld voor iedereen om naar Gods wet te leven. Wanneer Jezus de vrouw wèl zou veroordelen of zelfs zou zeggen dat zij gestenigd moest worden, zou Hij eens en voor altijd de sympathie van de gewone mensen verliezen. Dan zou niet veel meer over blijven van Jezus' grote woorden van de vorige dag dat Hij levend water geeft, dat mensen altijd op Hem kunnen vertrouwen. Dus van tweeën: of Jezus was niet het Levende Water, of Hij was niet het Licht van de wereld. Welk antwoord Hij ook zou geven, het zou in strijd zijn met Zijn eerdere woorden en daarmee Zijn geloofwaardigheid bij de gewone mensen verliezen. Dat was precies wat de Farizeeërs graag wilden. Want dan had Hij Zichzelf monddood gemaakt. Vandaar dat zij, zoals gezegd, die ochtend eigenlijk wel blij waren met de overspelige vrouw.

 

Dat de Farizeeërs met de vrouw een valstrik voor Jezus spanden was wel duidelijk. Want waar was de man met wie de vrouw overspel gepleegd had? Overspel doe je toch niet alleen. Volgens de wet van Mozes moest immers ook de man, getrouwd of niet, samen met de vrouw gedood worden! Maar over de man spraken de Farizeeërs niet. Daarom gaf Jezus ook geen antwoord op de vraag van de Farizeeërs. Of toch wel, Hij ging op Zijn hurken zitten en begon figuurtjes in het zand te tekenen. Dat deed Hij niet, zoals soms wel eens verondersteld wordt, om tijd te winnen voor Zijn antwoord aan de Farizeeërs. Ook niet om de Farizeeërs uit te dagen door te gaan tekenen dat absoluut niet mocht op de sabbat10. Nee, Jezus ging op Zijn hurken ging zitten tekenen was om Zich letterlijk en figuurlijk klein te maken. Om de Farizeeërs te leren dat, wanneer zij iemand wilden veroordelen, zijzelf allereerst nederig van hart moesten zijn. Maar op een les in ootmoed zaten de Farizeeërs die ochtend niet te wachten. Zij wilden kort en duidelijk van Jezus weten wat er met de vrouw gebeuren moest! Omdat de Farizeeërs zo aandrongen, ging Jezus weer staan en zei tegen hen dat hij die zonder zonde was de vrouw dan maar moest executeren11.

 

Daarmee legde Hij het oordeel over de vrouw weer terug waar het hoorde, namelijk bij de Farizeeërs en wetgeleerden. Om dat goed tot hen door te laten dringen maakte Jezus weer klein door opnieuw op de grond te gaan zitten tekenen. Toen zagen de Farizeeërs zich voor een 'onmogelijke' vraag gesteld. Want de wet van Mozes vroeg niet dat de rechters de eerste steen zouden gooien, maar getuigen! Maar die waren in geen velden of wegen meer te bekennen. Bovendien was die dag de laatste sabbat van het Loofhuttenfeest, een dag waarop absoluut niet gewerkt mocht worden12. Dat waren de Farizeeërs zich heel goed bewust13. Voor hen betekende dat heel concreet dat zij die dag niets mochten dragen14. Ook geen stenen oppakken om de vrouw te stenigen. Zouden dat wel doen, -in hun woede over Jezus deden zij dat soms wel eens15- dan zou hun gedrag wel heel erg in contrast zijn met hun leer over de wet van God. Zeker met het oog op het Simchat Thora van de volgende dag. Zo werd de valstrik die zij voor Jezus hadden opgesteld, voor de Farizeeërs een blok aan eigen been om tot actie over te gaan. Stilletjes zijn ze toen van het toneel te verdwenen.

 

Toen zij goed en wel één voor één waren weggegaan, ging Jezus weer staan en vroeg de vrouw of niemand haar veroordeeld had. Nee, niemand. Maar in plaats daarover opgelucht te zijn, werd de vrouw nu pas echt heel bang. Zou Jezus haar nu alsnog veroordelen? Zoals de priesters zouden doen door haar water met straatvuil te laten drinken? Zat Hij daarom steeds figuurtjes in het zand te tekenen? Maar Jezus deed niets van dat alles! Of toch wel. Hij zei haar dat zij naar huis moest gaan en niet meer zondigen. Niet meer zondigen? Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Hoe moest het dan met haar man? Moest zij vertellen wat zij gedaan had? Als hij inmiddels al niet gehoord had wat zij had gedaan! Niet meer zondigen en naar huis gaan was wel heel erg gemakkelijk gezegd. Of toch niet. Want het was geen mens die dat tegen haar zei, maar Jezus, de Christus. Of, zoals Hij die ochtend nog had gezegd, het Licht van de wereld! En omdat Hij het Licht van de wereld is, mag ieder die zich bekeert leven in het licht voor eeuwig en altijd. Ook al moet je thuis eerst nog een heel moeilijk gesprek voeren. Maar zelfs dat moeilijke gesprek, dat donkere gat van de confrontatie, zal worden overstraald door Jezus' licht. Door Hemzelf.

 

De Farizeeërs, die intussen en ongemerkt weer teruggekomen waren en opnieuw hoorden dat Jezus Zichzelf opnieuw vereenzelvigde met het Licht voor de wereld, wisten niet hoe gauw zij die woorden moesten ontkrachten. Trouwens Jezus had Zelf het 'bewijs' geleverd dat Hij onmogelijk het Licht van de wereld kon zijn. Hij had de overspelige vrouw 'alleen maar' met de oproep tot bekering naar huis gestuurd! Toch was Jezus we degelijk het Licht van de wereld. Want wat Jezus zegt is altijd waar. Hij is de waarheid en spreekt de woorden van zijn Zender. Woorden van boven. Daarom is Zijn oordeel heel anders dan dat van mensen. Hij oordeelt zoals God oordeelt, zuiver en zonder vooroordeel. Hij ziet niet op wat voor ogen is maar op wat het hart beweegt. Want Hij is de Zoon van God. Hij is God en vol vergevende liefde. Zo had Johannes de Doper over Hem gesproken en de mensen verteld dat Hij het Licht van de wereld is. Het was daarom niet 'toevallig' dat Jezus juist de dag uitgekozen had om te zeggen dat Hij het Licht van de wereld is. Die dag voorafgaand aan het lichtfeest van het Feest van de vreugde van de Wet en volgend het waterstortfeest van het Loofhuttenfeest. Want zoals het water van het Waterstortfeest teken en zegel is van Gods zorg voor Zijn volk, is ook licht symbool van Gods nooit aflatende zorg.

 

Daarvan was de vuurkolom in de woestijn het bewijs. Daaraan werden de Joden speciaal op Simchat Thora herinnerd wanneer de vier grote fakkels in de tempel werden ontstoken. Daarom zongen zij ook op de laatste dag van het Loofhuttenfeest de lofprijzing met de bede om in Gods licht te mogen leven. Een mens kan immers niet leven zonder licht, het grootste wonder van Gods schepping. Licht was er al nog voordat God de lichtdragers schiep. En licht zal er nog zijn als de lichtdragers niet meer nodig zijn. Licht heeft ook alles te maken met Gods reddingsplan voor mensen. In Zijn licht leidt Hij mensen naar het eeuwige licht. Dat licht is Jezus, de Messias. Hij is de heldere morgenster waarover de heiden Bileam moest profeteren en waarvan de profeet Simeon mocht getuigen. Licht was ook de drager van het evangelie van Jezus' komst in de wereld. Eerst mochten de herders in Bethlehem met licht uit de hemel horen van Jezus komst en vervolgens werden de wijzen uit het oosten met licht aan de hemel naar Zijn geboorte geleid. Johannes de Doper moest de mensen over Jezus vertellen als het licht dat leven geeft voor eeuwig en altijd. Het licht waarover Jesaja de profeet al had gesproken als het licht dat de wereld zou redden van donkerheid en dood. Letterlijk en figuurlijk.

 

Dat was precies wat Jezus deed toen Hij niet veel later de tempel verlaten moest omdat de Farizeeërs Hem wilden stenigen om wat Hij zei. Hij ontmoette daar een man die vanaf zijn geboorte al blind was. In de tempel had Hij de man niet kunnen ontmoeten, want hoewel de wet van Mozes alleen maar verbood dat iemand die blind was geen priester mocht zijn, gold in de tijd van Jezus de tempel voor alle blinden als verboden gebied16. Het was ook niet de eerste keer dat Jezus hem zag en ook de discipelen kenden hem wel. Iedereen kende hem eigenlijk wel, hij was de blinde bedelaar. Op de dag dat Jezus van Zichzelf sprak als het Licht, keken de discipelen blijkbaar ineens met wat andere ogen naar de man. Want toen zij hem zagen, vroegen zij Jezus waarom de man blind was. Was dat omdat hijzelf gezondigd of omdat zijn ouders dat hadden gedaan? Voor ons gevoel en in onze tijd een wat vreemde vraag. God bestraft zonde toch niet in het hier en nu met ziekte of handicap! Toch wel, Paulus spreekt daarvan in zijn vermaan aan de gemeente van Corinthe. Maar, zo is dan de volgende opmerking of vraag, kinderen kunnen toch niet gestraft worden om de zonden van hun ouders? Toch wel, de profeten spreken daarvan in hun citaten van aloude Joodse spreekwoorden en gezegde. Maar zowel het één als het ander gold niet voor de blindgeboren bedelaar bij de tempel. Hij moest, zo zei Jezus, als kind blind geboren worden om als volwassen man te getuigen van de machtige daden van de HERE God. Te getuigen dat God Zijn enige Zoon naar de wereld zond om mensen te laten leven in het licht voor eeuwig en altijd.

 

Die blijde boodschap van licht, leven en zorg heeft Jezus toen heel dicht bij de mensen gebracht door de blindgeboren man het licht in de ogen te geven. Juist op die bijzondere dag na het Waterstortfeest van het Loofhuttenfeest en de dag voorafgaand aan het Lichtfeest van het Feest van de Vreugde van de Wet. De dag dus die als het ware ingeklemd lag tussen twee dagen die spraken van Gods zorg voor Zijn volk. Daarvan sprak ook de manier waarop de man het licht in zijn ogen ontving. Met speeksel maakte Jezus van straatvuil een modderpapje en smeerde dat op de ogen van de blinde man en vroeg hem vervolgens zich te gaan wassen in de vijver van Siloam. Hemelsbreed weliswaar niet zo heel erg ver, maar voor een blinde een onmogelijk eind weg om even heen te lopen! Jezus had het de man toch wel wat gemakkelijker kunnen maken. Bijvoorbeeld door hem naar de vijver van Bethesda te sturen. Die was veel dichterbij. Daar gingen wel meer blinden naartoe om genezen te worden. Trouwens Jezus had de man toch ook wel kunnen genezen door hem alleen maar op de ogen te spugen zoals Hij indertijd bij de blinde man in Bethsaïda had gedaan. Of tegen hem te zeggen dat hij weer kon zien zoals Hij dat later bij Barthimeüs. uit Jericho zou doen. Dat kon. Maar dat deed Jezus niet. Hij wilde beslist dat de man naar de vijver van Siloam zou gaan om zijn ogen te wassen en te kunnen zien17. Want door het Waterschepfeest van de voorgaande dag was iedereen er opnieuw bij bepaald hoezeer het water van de vijver van Siloam sprak van Gods zorg voor Zijn kinderen. Voor het hier en nu, maar evenzeer voor later. Daarom werd juist het water uit de vijver van Siloam op het altaar in de tempel te worden uitgestort.

 

De voorgaande dag had Jezus juist op het moment dat het water van de vijver van Siloam over het altaar vloeide, gesproken over levend water voor eeuwig en altijd. Juist die ochtend dat Hij de blinde het licht in de ogen zou geven, had Jezus gezegd dat Hij het licht van de wereld is en dat wie op Hem vertrouwt nooit meer in het donker zou hoeven te leven. Die twee uitspraken van zorgen licht golden wel heel speciaal voor de man die vanaf zijn geboorte blind was! Daarom moest de man naar de vijver van Siloam. En de man ging. Gewoon. Of wat heet gewoon voor een blinde! In (letterlijk) blind vertrouwen. Want hij wist het wel, Jezus was een profeet! Meer nog, nadat Jezus hem verteld had dat Hij de Zoon van God was, geloofde hij dat ook! Wat een prachtig bewijs gaf Jezus daarmee dat Hij echt het licht voor mensen is. Dat mensen door Hem nooit meer in het duister hoeven rond te tasten en met Hem verder kunnen gaan zonder te struikelen. Zowel Joden als ieder ander die op Hem vertrouwt. Goed beschouwd wat een Kerstfeest eigenlijk op het Loofhuttenfeest! Wat is het in dat licht bezien toch ook jammer dat in de nieuwtestamentische kerk de legende van het licht van het Joodse Chanoekafeest18 en de leugen van het licht van het heidense zonnewendefeest19 zo zwaar wogen, dat het feest van Jezus' komst op aarde niet verbonden kon worden aan het oudtestamentische Simchat Thora en Loofhuttenfeest20.

 
   

Het Loofhuttenfeest begon met een sabbat en duurde zeven dagen (Lev 23,33-35). De dag na het Loofhuttenfeest moest echter ook als een sabbat gevierd worden en hoorde daarom eigenlijk bij het feest. De Bijbel spreekt daarom ook over deze dag als de achtste dag van het feest (Leviticus 23,36). In tegenstelling tot de eerste zeven dagen van het feest werden er op de achtste dag geen stieren meer geofferd en zwaaiden de mensen niet met het Loelav-stel. De liturgie van die dag concentreerde zich dus alleen op de Joden en stond daarmee helemaal in het teken van het intiem samenzijn met de HERE God (Sjemini Atseret)

 

2 Omdat de Israëlieten het sabbatsjaar vergaten moesten zij 70 jaar in een ander land in ballingschap leven om op die manier het land de sabbatsjaren te vergoeden die zij het onthouden hadden.

 

3 Tegenwoordig wordt vrij algemeen aangenomen dat de synagogen ontstaan zijn in de tijd dat de Joden in ballingschap waren.

 

4 Zoals ook blijkt uit het vervolg van het verhaal over de eerste voorlezing van de hele wet nadat de Joden uit ballingschap waren terugge keerd: (Nehemia 8,10)

 

5 Zeker is dat in de tijd van Jezus het Simchat Thora een vrolijk feest was en dat een vuuroffer gebracht werd (Leviticus 23,36b). Of het toen ook al met veel licht gevierd werd is niet helemaal duidelijk. Sommige Joodse bronnen melden namelijk dat met name in de Middeleeuwen het gebruik ontstond Simchat Thora met veel licht te vieren. Hoe dan ook, licht zal stellig niet ontbroken hebben op Simchat Thora Gods wet is immers een licht op het pad. (Spreuken 6,23)

 

6 De collectekisten stonden in de voorhof van de vrouwen. (Lucas 21,1-2)

 

Sommige rabbijnen gingen zelfs zo ver dat zij openlijk zeiden dat het beter zou zijn de woorden van de wet te verbranden dan die te onderwijzen aan vrouwen

 

8 De HERE God schiep de vrouw tot hulp van de man (Genesis 2,18). In onze begripswaarde betekent dit dat de vrouw ondergeschikt is aan de man. Maar in het Hebreeuws wordt voor het woord ‘hulp’ een woord gebruikt dat op een hooggeplaatste persoon ziet. We komen dit woord bijvoorbeeld ook tegen in Psalm 40 waar over de HERE God gesproken wordt als de hulp van Jakob.

 

9 Joodse bronnen vertellen dat het in het verleden tijdens het waterschepfeest nogal eens tot lichtzinnigheden kwam en dat daarom rond de voorhof van de vrouwen de 3 galerijen gebouwd waren. Tijdens het waterscheppen moesten de vrouwen daar gaan staan, gescheiden van de mannen. De Joden menen ook dat de profeet Zacharia erover spreekt dat mannen en vrouwen de erediensten gescheiden moeten ervaren. (Zacharia 12,12-14)

 

10 Een tekening maken iets toevoegt of verandert aan de schepping en daarom een verboden activiteit is voor de sabbat (zie ook hoofdstuk 4). Mogelijk gold dat arbeidsverbod ook voor de sabbat van het Loofhuttenfeest

 

11 Wanneer iemand terecht gesteld werd door steniging, werd de veroordeelde ruggelings van een hoger gelegen plaats naar beneden gegooid. Als de veroordeelde dan nog niet dood was, werd de eerste steen op de hartstreek gegooid. De eerste steen werpen betekende dus eigenlijk de veroordeelde executeren. Pas wanneer de veroordeelde na het gooien van de eerste steen niet dood was, moesten de omstanders het slachtoffer net zolang met stenen gooien tot hij of zij dood was.

12 Nadat in Leviticus 23 uitgebreid verteld is hoe het Loofhuttenfeest gevierd moet worden (zie eerdere voetnoten waarin Lev 23,33-36a geciteerd werd), wordt nog eens heel nadrukkelijk onder de aandacht gebracht dat er op de eerste en achtste dag van het feest absoluut niet gewerkt mocht worden

 

13 Dat de Farizeeërs zich bewust waren dat er absoluut niet gewerkt mocht worden op die sabbat bleek toen Jezus een paar uren later een man, die vanaf zijn geboorte blind was geweest, het licht in de ogen gaf. (Johannes 9, 13-14)

14 Indertijd hadden de Farizeeërs de man van de vijver van Bethesda juist verweten dat hij op de sabbat een last droeg dat was zijn matrasje dat hij onder de arm meenam. (Johannes 5,10)

 

15 Even later zouden de Farizeeërs, verblind door woede over wat Jezus zei, helemaal vergeten dat zij op de sabbat geen stenen mochten oppakken om iemand te doden. Toen wilden zij toch stenen oppakken om Jezus te doden. (Johannes 8,59)

 

16 Uit buitenbijbelse bronnen (de Dode-Zee-rollen) weten we dat in de tijd van Jezus het gebod van de HERE God dat een blinde geen brandoffer brengen mocht (Leviticus 21,18-21) wel heel erg ruim gesteld door alle blinden te verbieden in de tempel te komen

 

17 De naam Siloam lijkt ook iets te maken te hebben met het feit dat Jezus de man naar de vijver zond. Die indruk kan althans gewekt worden doordat in sommige Bijbelvertalingen de betekenis  van de naam Siloam vermeld wordt: Uitgezondene

 

18 In de Bijbel wordt geen voorschrift gegeven voor het Chanoekafeest. Toch kent de Bijbel het feest wel, namelijk als het Vernieuwingsfeest. Blijkbaar heeft Jezus het feest ook wel gevierd. (Johannes 10,22-23) Het Chanoekafeest is ontstaan na de tempelreiniging in de 2e eeuw voor Christus. In 168 voor Christus hadden de Syriërs de tempel verontreinigd door daar varkens aan de afgoden te offeren. Dat had hevig verzet opgeroepen bij de Joden, zo zelfs dat Judas de Makkabeeër in opstand was gekomen en ten strijde was getrokken tegen de Syriërs. En met succes. Drie jaar later versloeg hij Lysias, die zich na het verlies van 5000 man terug trok naar Antiochië. Een uitgebreid verslag van deze strijd is te lezen in het eerste boek van de Makkabeeën. (1 Makkabeeën 4, 34-35). Vlak na de overwinning op Lysias is de tempel gezuiverd van alle heidense smetten (1 Makkabeeën 4,36-51). Precies op 25 december, voor de Joden de 25e dag van de maand Kislev was de tempel gereed om weer als heilig huis van God dienst te doen. En dat werd, naar het model van het Loofhuttenfeest (2 Makkabeeën 10,6), gevierd met een groot feest dat 8 dagen duurde (1 Makkabeeën 4,52-61). Volgens de Joodse overlevering gebeurde er voorafgaand aan het feest een wonder. Toen de tempel in gebruik genomen zou worden, bleek dat er nog maar één kruikje met gewijde olie in voorraad was. Precies genoeg om de kandelaar in de tempel één dag te laten branden. Het zou minstens een week duren voordat nieuwe gewijde olie beschikbaar zou komen. Wonderlijk genoeg bleek dat ene en laatste kruikje olie voldoende om de kandelaar de volle 8 dagen van het feest te laten branden. Dat was de reden waarom de Joden ook het Chanoekafeest met veel licht vieren.

 

19 Tot in de vierde eeuw na Christus vierden de Romeinen zoals vrijwel alle volken op het noordelijk halfrond, in de laatste week van december het zonnewende-feest. Het feest van het licht dat weer komende is. Toen in de vierde eeuw de christelijke godsdienst de officiële godsdienst werd in het Romeinse rijk, werd ook afgerekend met het heidense feest van het licht. Het werd vervangen door het christelijke feest van het licht, het feest van Christus' geboorte. Tegelijkertijd werd daarmee een ander probleem opgelost. Op het concilie van Nicea was besloten dat christenen niet langer de sabbat mochten vieren of andere Joodse feesten. Dus ook niet het Joodse feest van het licht, het Chanoekafeest, dat ook in de laatste week van december gevierd werd. Zo kreeg het Christelijke feest van het licht een plaats in de donkerste maand van het jaar op het noordelijk halfrond.

 

20 Uit de toespraak van Jakobus op de synode van Jeruzalem (Handelingen 15,6) lijkt te kunnen worden afgeleid dat in die tijd het feest van Jezus' komst op aarde een relatie had gekregen met het Joodse Loofhuttenfeest. Wanneer Jakobus spreekt over de komst van Jezus op aarde, citeert hij daarbij de profeet Amos, die namens God gezegd had dat God het vervallen huis van David weer zou oprichten (Handelingen 15,13-17). Het woord dat Amos voor 'vervallen huis' gebruikt betekent eigenlijk 'hut' en is nauw verwant aan 'sukkot' (tent of loofhut). Het zou dus heel goed kunnen zijn dat de christelijke kerk in de eerste eeuw na Christus Zijn komst in de wereld een plaats gegeven heef op het grote Joodse oogstfeest, het Loofhuttenfeest. Overigens zijn er kerken in onze tijd, bijvoorbeeld de christelijke kerk in Senegal, die op het kerstfeest (dat dan wel in december gevierd wordt) ook het jaarlijkse oogstfeest vieren.

5 Jezus is de Christus en Zoon van God

 

Wie in Gods wet de liefde niet herkent of daarvan losmaakt, houdt een leeg omhulsel over dat hij vroeg of laat vult met menselijke regels en tradities. Want menselijke regels en tradities zitten boordevol gemakkelijk herkenbare liefde. Eigenliefde. Daarvan wisten de Farizeeërs in de tijd van Jezus alles van, zo gedroegen zij zich althans. Zij kenden de wet van God tot in detail en wisten gewone mensen haarfijn uit te leggen hoe zij naar Gods wet moesten leven. Maar zelf leefden zij er niet naar. Oppervlakkig bezien was erop hen niet eens zoveel aan te merken. Zij leken zelfs voorbeelden van vroomheid en wetgetrouw leven. Zij gaven bijvoorbeeld akelig precies hun tienden. Maar als iemand echt in de problemen zat, waren de Farizeeërs niet thuis. Hun vrome gedrag op straat en lange gebeden waren niet om God te eren of te danken, maar bedoeld voor eigen eer en om bij mensen op te vallen. Hoewel gewone mensen doorgaans geen 'dubbel' leven leidden en niet zo te koop liepen met hun 'vroomheid', gingen ook zij niet goed met de wet van God om. Zij meenden namelijk door zich heel precies aan de wet van God te houden, gerechtigheid bij God te kunnen verwerven. Te verdienen, want wat genade is om uit te leven wisten zij niet. Zij wisten dan ook absoluut niet om te gaan met Jezus' woorden van genade1. Eerlijk gezegd was dat ook niet zo vreemd als je als heel jong kind al psalmversjes leerde die spraken van het geluk dat in je leven komt wanneer je precies doet wat God in Zijn wet van je vraagt. Geen wonder als je vanaf je kleuterjaren nooit anders hoorde dan dat vrede en rust in je leven komen wanneer je je aan Gods geboden houdt. Begrijpelijk ook dat je dan op den duur gaat denken dat je door een wetnauwkeurig leven en het doen van goede werken, de komst van de Messias bespoedigen kan. Dat laatste gold wel heel sterk voor de Joden in de tijd van Jezus2. Zij zagen met meer verlangen dan ooit uit naar de Messias die het Joodse rijk weer zou herstellen en hun de ontnomen zelfstandigheid weer zou teruggeven. Want behalve op religieus terrein hadden de Romeinen de Joden alle autonomie ontnomen3. Alsof dat niet genoeg was, hadden zij nota bene een overwonnen Edomiet als procurator over hen aangesteld4.

 

Toen Johannes de Doper zei dat het Koninkrijk van God nabij was, herleefde de hoop op een vrije en onafhankelijk Joodse staat met volle kracht. Zou Israël herleven? Was Johannes soms de lang verwachte Messias? Dat Johannes de Christus niet was deerde de mensen nauwelijks. Want toen Jezus, de Man wiens komst Johannes moest voorbereiden, ook sprak van het Koninkrijk van God en machtige wonderen deed, werd de hoop op een nieuwe Joodse leider en nieuwe staat alleen maar groter. Jezus sprak zo heel anders dan de schriftgeleerden. Hij had geen citaten uit de Thora of van profeten nodig om zijn woorden kracht bij te zetten. Zijn woorden spraken voor zichzelf5. Dat maakte indruk op de mensen en wekte geloof. Zelfs bij zeer vooraanstaande Joden. Toch was dat geloof niet het geloof waartoe Johannes de Doper had opgeroepen. Niet zonder reden had Johannes zichzelf de minste slaaf van Jezus genoemd. De slaaf die niet eens Zijn schoenen los of vast mocht maken. Johannes was namelijk een mens en Jezus de Zoon van God. Johannes had dat altijd al geweten. Maar nadat hij Hem gedoopt had en God Zelf Hem zijn Zoon had genoemd wist hij dat heel zeker. Dat gold niet voor de meeste Joden die Gods woorden ook gehoord hadden of later daarvan hoorden. De meeste Joden gingen eenvoudig aan Johannes' getuigenis en Gods woorden voorbij. In het Joodse denken en geloof past, net zoals in onze tijd nog altijd, geen Zoon van God6. God is één en dus kan Hij geen Zoon hebben. En helemaal geen lichamelijke Zoon. Dat een mens ook God zou zijn of later zou kunnen worden, was gewoon absurd. Zelfs mensen als Abraham, Mozes, David en Elia bleven mens, hoe hoog zij ook als mens gestegen waren. Voor de Joden was de Messias dan ook een mens zoals zij. Wel een belangrijke, maar toch een mens. Dat had de geschiedenis overduidelijk geleerd. Messias betekent immers gezalfde. Vanaf het moment dat God Israël als Zijn volk had uitgekozen, waren mensen gezalfd om een bijzondere taak in Israël te vervullen. Aäron en zijn zonen werden bijvoorbeeld gezalfd om hogepriester te zijn. Elisa werd een messias om als profeet Gods woorden door te geven. Ook de koningen over Israël waren gezalfd, stuk voor stuk een messias zou je kunnen zeggen.

 

De Bijbel vertelt bijvoorbeeld over de zalving van Saul tot koning over Israël. En van David en Salomo. Wat dat betreft was het dus eigenlijk niet vreemd dat de mensen in de tijd van Jezus er stellig van overtuigd waren dat de beloofde Messias een grote profeet of sterke koning zou zijn. De koning waarover de profeten spraken. Of de profeet als Mozes, die hun weer vrede en rust zou geven in een vrij, eigen en onafhankelijk land. Maar die vrede bracht Jezus niet. Daarom kon Jezus de Messias niet zijn. Bovendien kwam Hij uit Galilea. Als er één ding zeker was, dan wel dat de Messias niet uit Galilea zou komen. Want uit Galilea was nog nooit iets goeds gekomen. Niet eens een profeet. Behalve Jona, die uit Gath-Hefer kwam7. In de ogen van veel Joden was hij niet eens een profeet. Hij ging immers naar de heidenen!8 Jona ging immers naar de heidenen. Dat deed een Joodse profeet niet. Dat alles nam echter niet weg dat heel veel mensen Jezus toch wel een bijzonder mens vonden. Velen van hen hadden Hem maar wat graag hun koning hadden gemaakt. Zelfs toen Jezus daarvoor wegvluchtte, bleven de mensen in Hem geloven. Als Hij niet hun koning wilde zijn, dan was Hij op zijn minst een groot profeet als Elia of Jeremia. Maar Jezus de Zoon van God? Dat kon niet, dat stond dwars op het Joodse denken en geloof. De Bijbel geeft daarvan een treffend voorbeeld in de gelovige Schriftgeleerde Nicodemus. Hij geloofde wel dat Jezus door God gezonden, maar niet dat Hij de Zoon van God was.

 

Zelfs Johannes de Doper, de Elia waarover Maleachi sprak en de man die na Jezus' doop zo krachtig getuigde dat Jezus de Zoon van God is, begon te twijfelen toen hij in de gevangenis zat. Hij hoorde wel over de wonderen die Jezus deed, maar van een bevrijding merkte hij niets. Niet voor hemzelf en niet van zijn volk. Wat moet het Jezus een verdriet hebben gedaan toen Hij hoorde van Johannes’ twijfel. Johannes wist toch beter. Inderdaad. Maar Johannes was wel een mens. Met zijn ups en downs. Ook in zijn geloof. En hij was ook een Jood. Ook in zijn geloof. Een Jood die vanaf zijn kleuterjaren geleerd had dat een messias een mens was. Mensen die gezalfd werden om bijvoorbeeld koning over Israël te zijn. Wat je als kind geleerd hebt, raak je niet gemakkelijk kwijt. Daarop teer je als volwassene teruggeworpen wordt op jezelf of je geloof een tijd lang vanuit je herinneringen moet beleven. Zoals Johannes toen hij in de gevangenis alleen was met zijn gedachten en angsten. Toen hij daar hoorde wat Jezus in Nazareth gezegd had, dacht hij misschien ook wel dat Jezus een koning voor het hier en nu was. Zo had zijn vader Zacharias bij zijn geboorte toch eigenlijk over Jezus gesproken. Dat had ook de engel Gabriël min of meer gezegd, toen hij Mirjam (Maria) vertelde dat zij Jezus tot Zijn geboorte mocht dragen. Zo dachten onderhand de meeste Joden die in Jezus geloofden. Juist tegen de tijd dat het Joodse Paasfeest gevierd zou worden, het feest van de bevrijding, leefde de gedachte van de messias als de door de profeten beloofde koning die hun zou bevrijden heel sterk. Het was daarom geen wonder dat de Joden juist in die tijd Jezus tot twee keer toe hun koning wilden maken. Eerst op de dag van het broodwonder in Galilea. Later op de zondag voor Jezus' laatste Paasfeest op aarde. Zelfs Jezus' eigen discipelen meenden ook zelfs dat Jezus hen eens in het hier en nu zouden bevrijden. Vooral Judas Iskarioth, de enige discipel van Jezus die uit Judea kwam9.

 

Nadat Jezus uit de dood was opgestaan, waren vrijwel alle discipelen daarvan heilig overtuigd. Zij vroegen Hem althans voortdurend of Hij Israël zou bevrijden en een eigen koning geven. Vanuit Joods perspectief en naar de mens gesproken was Johannes' twijfel dus niet zo vreemd. Jezus verweet hem dan ook niets. Of eigenlijk wel. Johannes moest maar eens denken aan de wonderen die Hij deed en het goede nieuws dat Hij bracht. Dan wist hij wel genoeg. Dat was immers precies wat de profeet Jesaja gezegd had dat de Messias zou doen en spreken. Johannes de Doper was overigens niet de enige bij wie na zijn openbare geloofsbelijdenis het geloof dreigde te ontglippen. Toen de discipelen voor het eerst kennis maakten met Jezus wisten zij heel zeker dat Jezus de Christus was en Zoon van God. Maar toen zij eens in een vliegende storm op het meer van Galilea dreigden te verdrinken, waren zij dat geloof helemaal kwijt. Gelukkig niet voor lang. Want toen de dag daarna talloze discipelen niets meer met Jezus te maken wilden hebben, bleven zij bij Hem. Omdat Hij de Zoon van God was en eeuwig leven kon geven.

 

Toen Jezus hen niet veel later in Caesarea Filippi verteld had van Zijn aanstaande dood hadden zij opnieuw en van harte beleden dat Hij de Christus was en Zoon van God. Vreemd genoeg verbood Jezus hen toen erover te praten dat Hij de Christus is. Zij moesten namelijk eerst nog leren en geloven dat de Christus lijden en sterven moest10. Voor die lessen heeft Jezus vanaf dat moment ruimschoots de tijd genomen. Bijvoorbeeld door Johannes, Petrus en Jakobus een paar dagen later mee te nemen naar de top van een berg om getuige te zijn van Zijn ontmoeting met Mozes en Elia en opnieuw van God te horen dat Hij Gods Zoon is.

 

Laaiend enthousiast waren zij geworden. Vooral Petrus die het liefst voor altijd op de berg zou zijn gebleven. Maar nadat God gesproken had, veranderde hun enthousiasme in panische angst. Geen mens kan immers blijven leven nadat God rechtstreeks tot hem gesproken had. Wanneer Jezus hen niet gerustgesteld had, zouden zij niet eens beseft hebben wat voor machtige en vooral bijzondere dingen zij op de berg hadden mogen meemaken. Hoe langer zij daarover langer nadachten, hoe enthousiaster zij werden en de andere discipelen deelgenoot wilden maken van hun ervaringen op de berg. Maar ook dat mocht niet. Daarmee moesten zij wachten tot Jezus uit de dood zou zijn opgestaan. Dat was voor hen moeilijk genoeg. Te wachten, maar vooral te geloven dat Jezus uit de dood zou opstaan. Want hoewel Hij meer dan eens met hen over Zijn dood en opstanding had gesproken, geloofden zij niet echt dat Hij uit de dood zou opstaan. Dat bleek wel toen zij de mannen en vrouwen niet wilden geloven die hen vertelden dat Jezus werkelijk was opgestaan. Sommigen discipelen twijfelden nog toen Hij veertig dagen later op het punt stond terug te keren naar de hemel. Dat veranderde echter radicaal toen zij de Heilige Geest ontvangen hadden. Toen werd voor hen ineens duidelijk dat het geloof niet compleet kan zonder de zekerheid van de dood en opstanding van de Zoon van God. En begrepen zij waarom Jezus juist de wrede en meest ellendige dood aan het kruis11 moest sterven. Toen Hij twee dagen voor Pasen tegen hen zei dat Hij gekruisigd zou worden, hadden zij vreemd opgekeken12. De Romeinen Hem kruisigen? De Joden zochten Hem toch vanwege Zijn 'godslasteringen'. Steniging was toch de straf die de wet van Mozes aan godslastering verbond. Zochten de Romeinen Hem nu ook al? Zagen zij in Hem nu ineens een staatsgevaarlijk mens omdat de mensen Hem twee dagen eerder13 als hun koning hadden binnengehaald?

 

Heel begrijpelijke vragen wanneer je, zoals de discipelen toen nog, het inzicht mist dat Jezus juist omdat Hij de Zoon van God was de vloekdood aan het kruis moest sterven om mensen te redden van de vloek van de dood. Dat begrepen de discipelen zij pas toen de Heilige Geest hen ook die woorden van Jezus in herinnering bracht en de waarheid daarvan leerde begrijpen en verstaan. En geloven. Want Jezus' kruisdood is misschien wel het grootste mysterie aller tijden. Daarvan begrijpt een mens helemaal niets. Kan hij niet eens geloven wanneer de Heilige Geest hem dat niet laat geloven. Want toen Jezus aan het kruis hing, stond God niet op een afstand! Jezus was immers Gods Zoon. Meer nog, Hij was Zelf God. Dus toen God Jezus op het dieptepunt van Zijn lichamelijk lijden Hem aan Zijn lot overliet, was God daar toch bij! De Vader en de Zoon zijn immers één. Dat betekent niets minder dan dat God in zijn Zoon Zichzelf alleen liet. Om mensen met Zich te verzoenen. Daar schieten de tranen je toch bij in de ogen en staat je verstand bij stil. Toch mag jij dat geloven. En door de Heilige Geest zeker weten dat het nog waar is ook. Misschien is dat wel het belangrijkste. Jezus, de Christus, is Zoon van God. Is God!

 

Voor een Jood was en is dat het moeilijkste om te geloven. Want als Jezus Gods Zoon is, heeft het Joodse geloof geen inhoud meer. Daarom was het 'proces' wat de Joodse leiders tegen Jezus voerden er voortdurend op gericht te ontkennen dat Hij de Zoon van God was en 'bewijs' dat Hij Gods Zoon niet kon zijn. Dat begon al dadelijk tijdens het eerste verhoor na Zijn gevangenneming. Van een fatsoenlijk hoor en wederhoor was geen sprake doordat de leden van de Hoge Raad er alleen maar aan toe kwamen Jezus op de meest grove manier beledigden en bespotten. Vervolgens namen zij niet eens de moeite Hem een eerlijk proces volgens de Joodse wet te geven. Want toen er geen twee getuigen te vinden waren met een eensluidende aanklacht, ging de Hoge Raad af op de verklaring van een paar die zeiden dat Jezus gezegd had dat Hij de tempel zou afbreken en in drie dagen weer opbouwen. Maar dat had Jezus niet gezegd! Hij had gezegd dat als mènsen de tempel zouden afbreken, Hij die weer in drie dagen zou opbouwen. Voor de Joodse leiders maakte dat overigens niets uit. Want door te zeggen dat Hij de tempel weer in drie dagen zou opbouwen, zei Jezus in feite dat Hij de Messias was. Zacharias had immers gezegd dat eens een Zoon van David de tempel van God zou herbouwen. Eerder had de profeet Nathan dat weliswaar ook al gezegd. Maar dat gold in eerste aanleg Davids zoon Salomo. De profetie van Zacharia reikte echter veel verder en sprak van de beloofde Messias14 Daarom vroeg de hogepriester aan Jezus of het waar was dat Hij gezegd had de tempel te zullen afbreken en weer opbouwen. Op die vraag wilde Hij echter niet ingaan. Waarom zou Hij? Met de tempel had Jezus niet de tempel van hout en steen bedoeld, maar Zijn eigen lichaam. Bovendien zouden de Sadduceeërs in de raad15, die niet in de opstanding uit de dood geloofden, dat niet kunnen en willen begrijpen.

 

Maar toen de hogepriester Jezus vervolgens vroeg of Hij de Christus was en Zoon van God, kon en wilde Hij die vraag volmondig bevestigend beantwoorden. Zich ten volle realiserend dat Hij daarmee Zijn eigen doodvonnis tekende. Voor de Hoge Raad bleef toen maar één vraag over, namelijk wie het doodsvonnis moest voltrekken en wanneer. Normaal gesproken zouden de Farizeeërs en schriftgeleerden dat zelf doen. In de afgelopen jaren hadden zij al meer dan eens op het punt gestaan dat te doen. Maar nu, zo vlak voor de paasdagen, waren zij bang dat de gewone mensen daartegen massaal in opstand zouden komen. Zeker nadat zij Hem een paar dagen eerder en met het oog op het paasfeest nog als hun koning Jeruzalem hadden binnengehaald. De Hoge Raad besloot daarom dat de Romein Pilatus het 'vuile werk' maar moest opknappen door Jezus te laten kruisigen16 Dan konden de Joodse leiders naar waarheid zeggen dat niet zij, maar de Romeinen Jezus hadden gedood17.

 

Maar Pilatus voelde daar niets voor. Tot de Joden zeiden dat Jezus een ernstige misdaad tegen de keizer begaan had door zichzelf koning te noemen. Een opmerkelijke beschuldiging in de mond van de Joden. Want Jezus had juist gezegd geen koning van deze aarde te zijn. Toen de mensen Hem dat toch wilden maken, was Hij daarvoor weggelopen. Even opmerkelijk was het dat niemand over Hem sprak als de Christus. De Farizeeërs hadden dat immers ten strengste verboden. Maar ook de discipelen die wisten dat Hij de Christus was, mochten niet over hem spreken als de Christus. Jezus had daarover Zelf overigens niet of nauwelijks gesproken. De enige keer dat Hij gezegd had dat Hij de Christus was, was tegen de Samaritaanse vrouw in Sichar geweest. De enige die openlijk over Hem als de Christus gesproken had, was Johannes de Doper geweest. Dat Jezus gezegd zou hebben de koning van de Joden te zijn, was dus niet te bewijzen. Pilatus kon daar dan ook niets mee. Wilde dat ook niet. Maar toen de Joden dreigden hem daarom in diskrediet te brengen bij de keizer, werd hij toch wat voorzichtiger. Hij vroeg Jezus of het waar was dat Hij een koning was. Toen Jezus dat weliswaar bevestigde, maar eraan toevoegde dat Zijn koningschap niet van deze aarde was, werd het Pilatus opnieuw duidelijk dat van Jezus geen enkele dreiging uitging en Hij naar Romeins recht onschuldig was. Als de Joden hun 'koning' beslist wilden kruisigen, moesten zij dat zelf maar doen. Wat hem betreft was hun ‘Messias’ een vrij man. Maar dat wilden de Joden nu juist niet! Jezus moest verdwijnen, eens en voor altijd. Jezus hun koning? Dat nooit, de keizer was hun koning. Als Pilatus Jezus vrijuit wilde laten gaan, was ook hij geen vriend van de keizer. Van die woorden werd Pilatus toch wel een beetje bang. Hij geen vriend meer van de keizer? Dat was hem het leven van de Jood Jezus niet waard. Daarom stemde hij alsnog erin toe Jezus te laten kruisigen. Maar niet zonder wraak te nemen op de Joodse leiders18.

 

Eerst liet hij Jezus door zijn soldaten verkleden als 'Jodenkoning' en vervolgens bespottelijk maken door Hem te slaan en te bespugen. Toen zij Jezus naar de executieplaats brachten, liet hij een toevallige voorbijganger het dwarshout van zijn kruis dragen19. Een 'koning' kon toch moeilijk zijn eigen 'bagage' dragen of voortdurend letterlijk plat op zijn gezicht gaan20. Om het plaatje compleet te maken gaf Pilatus opdracht om op het bordje waarop de aanklacht tegen de gekruisigde stond, te schrijven dat Hij de koning van de Joden was. Dat laatste ging de Joden echter te ver. Dat raakte Jezus niet meer maar de Joden zelf. Jezus was hun koning niet, dat had Hij alleen maar gezegd. Jezus zei volgens hen wel meer dat niet waar was. Zoals dat Hij de tempel in drie dagen zou opbouwen. Dus dat Hij de Messias was. Dat kon gewoon niet waar zijn. Als Hij de Messias was en de tempel, waarvoor mensen 46 jaar nodig hadden gehad om te bouwen, in drie dagen kon opbouwen, kon Hij zichzelf toch op zijn minst wel van het kruis redden. Als Hij de Zoon van God was, zou God Hem toch wel redden van de zekere dood aan het kruis? Dat Jezus, juist omdat Hij de Messias was en Zoon van God, niet van het kruis kon en wilde afkomen, kwam in niemand op. Of toch wel.

 

Eén van de misdadigers geloofde en begreep. Hij vroeg Jezus of Hij aan hem wilde denken wanneer Hij Koning in zijn Koninkrijk zou zijn. Reken maar dat er toen een hoongelach opging onder de Joodse leiders. Hoe kwam de man erbij te denken dat Jezus hem redden kon omdat Hij de Messias zou zijn of Zoon van God? Dat was Hij niet! Dat 'bleek' even later heel duidelijk toen Jezus in de helse pijn van het kruis ook de helse pijn van de hel onderging en uitschreeuwde: ‘Eli, Eli, lama sabachtani?’. De Joodse leiders hoorden daarin niet de smartelijke noodkreet van de Mens die God was en toch door God verlaten werd. Zij hoorden alleen maar het hulpgeroep van een mens die in zijn doodsangst roept om iemand machtiger dan hij. Voor Jezus was dat blijkbaar Elia die Hem kon redden van de helse pijn en dood. Maar Elia kwam niet21. Wel de dood. Goddank!

 

Want alleen door te sterven kon Jezus voor mensen de weg naar God weer vrij maken. En redden van de zonde en dood. Daarom scheurde op het moment dat Hij stierf, het gordijn in de tempel wat tot dan toe scheiding maakte tussen God en mensen doormidden als teken dat de weg naar God weer open was22. Daarom stonden doden op uit hun graf als bewijs dat de dood overwonnen was. Zelfs heidenen geloofden toen dat Jezus inderdaad de Zoon van God was. Een gekruisigde Christus Zoon van God! Nog wel in de mond van een Romein die alleen maar in de keizer van Rome een zoon van god zagen. Petrus, Johannes en Jakobus hebben toen vast en zeker terug gedacht aan de machtige dingen die zij op de berg hadden gezien. En aan de machtige woorden die zij toen hebben gehoord dat Jezus de Zoon van God is. Mochten zij daarom niet daarover niet spreken. Opdat 'heidenen' Joden ten voorbeeld zouden zijn te geloven dat Jezus de Christus is en Zoon van God? Ichtus!23


1 Uit de meeste vertalingen van Lucas 4,22 krijg je de indruk dat mensen zich verwonderden over Jezus’ woorden en bijval getuigden. De kanttekeningen van de Statenvertaling roepen een heel ander beeld op. Bijval zou beter vertaald zijn met ‘getuigenis’ in de zin van een aanklacht bij de overste van de synagoge. Dat zou betekenen dat de mensen over Jezus’ woorden van genade een klacht indienden bij de overste van de synagoge.

 

2 Tot in onze tijd denken de Joden nog steeds dat zij door goede werken en precies te doen wat de wet van hen vraagt de komst van de Messias te kunnen bespoedigen. Hoewel dat geloof al voor Jezus’ tijd bestond kreeg het nieuwe impulsen door het gedachten van de Jood Mozes Maimonides (± 1135-1204). 

 

3 De Romeinen hadden Juda en Galilea onbetekenende provincies van het gewest Syrië gemaakt. Een gewest stond onder het gezag van een senator. Quirinius was bijvoorbeeld zo’n senator (Lucas 2,1-2). Het gezag over een provincie was in handen van een procurator. Pilatus (een Romein) was bijvoorbeeld procurator over Judea en Herodes over Galilea. (Lucas 3,1a). Om een volksopstand te voorkomen hadden de Romeinen de Farizeeërs echter nog een zekere macht gelaten (Johannes 11,48).

 

4 De gespannen verhoudingen tussen de Joden en de Edomieten leek in de tijd van de Makabeeën eens en voor altijd tot het verleden te gaan behoren toen Johannes Hyrhamus de Edomieten in 125 v. Chr. overwon en dwong zich te laten besnijden en over te gaan tot het Jodendom. Maar de Romeinen haalden daardoor een streep met de benoeming van Herodes tot procureur van Galilea.

 

5 In de Bergrede vinden we daarvan een paar duidelijke voorbeelden. Jezus citeert daar de wet en de profeten en voegt daaraan steeds toe: En ik zeg jullie….

 

6 In onze tijd zijn er theologen die ontkennen dat Jezus de Zoon van God is. Prof Alvar Ellegard schrijft bijvoorbeeld in zijn boek 'Jezus - honderd jaar voor Christus' dat Jezus een profeet was die ongeveer 100 jaar voor het begin van onze jaartelling leefde. Door de uitspraken van de apostel Paulus, die naar zijn zeggen in een geestvervoering in de hemel was geweest (2 Korintiërs 12,2) en daar Jezus had gezien en gesproken (Galaten 1,11-12), zou Jezus een goddelijke figuur en de beloofde Messias zijn geworden. Dit beeld zou vervolgens verder uitgewerkt zijn door 'evangelisten' die in de 2e eeuw na het begin van onze jaartelling de evangeliën schreven om het hoofd te bieden aan allerlei spanningen en conflicten die in de vroegchristelijke kerk waren ontstaan.

 

7 Gath-Hefer, het huidige Khirbet-es-Zurrâ, is een dorpje ten NO van Nazareth. (Jona 1,1 en 2 Kon 14,25

 

8 Ook in onze tijd zien sommigen Jona niet als een profeet. In de Willibrord-vertaling van de Bijbel wordt bijvoorbeeld gezegd dat het verhaal van Jona een anekdote is. Maar als Jona geen profeet zou zijn geweest, heeft het teken wat Jezus gaf van Zijn dood en opstanding geen waarde en wordt het geloof aan Zijn dood en opstanding in feite ontkracht. (Matteus 12,40).  

 

9 Sommige mensen in onze tijd menen zelfs dat Judas Iskarioth, de enige discipel die uit Judea kwam en die misschien daarom de sterkste ideologische motieven had discipel van Jezus te zijn, zo teleurgesteld was dat Jezus het koningschap over Israël niet opnam, dat hij daarom Jezus aan de Joodse leiders heeft overgeleverd. Maar toen die leiders Hem daarop gevangen namen en Hem op volstrekt onwaardige manier wilden veroordelen, zag hij in dat hij zich heel erg vergist had en hebben ingezien dat Jezus' koningschap juist niet van deze aarde was. Daarover zou Judas zo ontdaan zijn geraakt, dat hij niet verder meende te kunnen leven.

 

10 Dat Jezus als Christus voor de discipelen onverenigbaar was met lijden en sterven bleek wel toen Jezus dat had gezegd en Petrus Hem apart nam en tegen Hem zei dat Hij niet van die gekke dingen moest zeggen. (Marcus 8,32).

 

11 De kruisdood werd door de Romeinen vooral in de bezette gebieden toegepast en gold als de meest wrede en mensonterende executie. Het slachtoffer werd naakt met de armen wijd uiteen met twee grove spijkers door de polsgewrichten op het kruis gespijkerd, waarbij de zenuw van de hand werd beschadigd waardoor een folterende pijn en kramp ontstond. Door het gewicht van het lichaam zakte de borstkas van het slachtoffer naar beneden en kon hij nauwelijks meer inademen en stikte hij binnen een kwartier tot een half uur. Om het lijden te verlengen werden de voeten van het slachtoffer op elkaar geplaatst ook aan het kruis gespijkerd. Kreeg hij het benauwd doordat zijn borstkas inzakte, dan zou hij zich uit een natuurlijke reactie proberen op te richten om adem te kunnen halen. Maar wanneer hij zich oprichtte, gaf dat een verschrikkelijke pijn in zijn doorboorde voeten en zijn door geseling opengereten rug die langs het ruwe hout schuurde. Die opeenvolgende marteling van zowat stikken en verschrikkelijke pijn lijden kon uren duren. Soms werd daaraan een eind gemaakt door de benen van het slachtoffer te breken. Dan kon hij zich niet meer oprichten en stierf het slachtoffer alsnog en snel door verstikking.

 

12 De Bijbel geeft weliswaar geen impressie van de reactie van de discipelen. Maar we mogen er rustig van uit gaan dat zij verrast werden door Jezus'' uitspraak dat Hij gekruisigd zou worden. Tot dat moment was er nog nooit enige aanleiding geweest te veronderstellen dat de Romeinen hen wilden doden. Met de Joden lag dat heel anders, die probeerden Hem voortdurend te doden om wat Hij zei en deed.

 

13 In onze tijd zijn er heel bijbelgetrouwe bijbeluitleggers die meer en meer ruiMatteuse laten voor de gedachte dat Jezus niet op een zondag Jeruzalem is binnengehaald, maar op een maandag. Men leze hierover bijvoorbeeld 'Christus op aarde' van Dr. J. van Bruggen. In onze tijd krijgt ook de gedachte meer en meer aanhang dat Jezus niet op een vrijdag (Goede Vrijdag) is gestorven, maar op een donderdag. (In een volgend hoofdstuk wordt hieraan opnieuw en ruimer aandacht gegeven.) Dan zou Jezus dus op een woensdag gezegd hebben dat Hij gekruisigd zou worden, een dag voor Zijn kruisiging en twee dagen na Zijn intocht in Jeruzalem.

 

14 In de Middeleeuwen heeft de Joodse geleerde Maimonides mede op grond van de profetie van Zacharia verklaard dat de Messias herkend kon worden doordat hij de tempel in 3 dagen zou opbouwen.

 

15 Hoge Raad bestond namelijk voor de helft uit Farizeeërs en voor de andere helft uit Sadduceeërs (Handelingen 23,6a).

 

16 Kruisiging was een typisch Romeinse terechtstelling, die niet door de Joden mocht worden toegepast. (Johannes 18,31-32). Er zijn bijbelverklaarders die in het verbod lezen dat de Romeinen de Joden ook in hun rechtspraak beperkingen hadden opgelegd. Maar dat klopt toch niet helemaal. Diverse keren hadden de Joden geprobeerd Jezus door steniging om het leven te brengen. Ook in het openbaar, zoals in Nazareth (Lucas 4,29-30a). Later zou ook Stefanus in het openbaar gestenigd worden (Handelingen 7,59-8,1a). Het verbod waarover de Joden spraken ziet op de kruisiging. Want dat was de dood waarover Jezus gesproken had (Matteus 26,1).

 

17 .De Joden zouden nadien en tot in onze tijd toe Jezus' kruisdood als bewijs aanvoeren dat niet zij maar de Romeinen Jezus ter dood gebracht hadden. (Bron: Jom Jom, onderwijsboek voor de Joodse jeugd geschreven door D.Hausdorff)

 

18 .Dat Pilatus de Joden wilde irriteren met Jezus als 'hun koning' lijkt wel aannemelijk. Want toen Jezus gekruisigd was liet hij op het bordje boven het kruis de 'aanklacht' vermelden dat Hij de koning van de Joden was, waarover de Joden uiterst geïrriteerd raakten.(Johannes 19,19-21)

 

19 Ment denkt wel eens dat Jezus een compleet kruis moest dragen. Maar dat was niet de gewoonte van de Romeinen; het slachtoffer moest alleen het dwarshout dragen.

 

20 Voorafgaand aan de kruisiging werd een tot kruisiging veroordeelde extra gemarteld. Allereerst werd de huid van zijn rug helemaal open gereten door geseling. Vervolgens werden zijn armen gestrekt en werd het dwarshout van het kruis op zijn kapot geslagen rug en schouders gebonden. Zo moest hij naar de executieplaats lopen. Omdat het slachtoffer op die manier topzwaar was, viel hij voortdurend plat voorover. Zijn val breken met zijn handen kon hij niet en door het 30 tot 50 kg zware hout viel hij steeds plat op zijn gezicht, wat zeer ernstig gelaatsletsel tot gevolg had.

 

21 Elia was namelijk al gekomen in de persoon van Johannes de Doper. (Matteus 11,14)

 

22 Het zware gordijn voor het heilige der heiligen verborg Gods aanwezigheid voor mensen en was symbool van de versperring van de weg naar Gods troon. Niemand, behalve de hogepriester eenmaal per jaar, mocht het heilige der heiligen betreden. (Hebreeën 9,7)

 

23  Het Griekse woord ‘ichtus’ (vis) werd door de vervolgde christenen in de eerste eeuwen na Christus als een afkorting gezien van de woorden I(èsous) Ch(ristus) Th(eou) U(ios) S(otèr) wat betekent Jezus Christus (Messias), Gods Zoon, Verlosser. De gestileerde afbeelding van de vis werd door hen, net zoals in onze tijd opnieuw, als een herkenningsteken voor Christenen gebruikt. Wanneer een Christen met een onbekende in gesprek raakte, tekende hij min of meer terloops met zijn voet of tenen een boog in het zand. Wanneer die ander ook een Christen was, tekende hij net zo’n boog over de eerste heen waardoor de gestileerde vorm van een vis ontstond. 

 

8. De Goede Herder.

Wie zegt dat het oudste beroep ter wereld dat van een hoer is, spreekt anders dan de Bijbel. Het eerste beroep waarover we in de Bijbel lezen is namelijk dat van een herder. En wie denkt dat herders in de Bijbel eenzelfde te vergelijken zijn met herders in onze tijd, heeft over herders een heel ander beeld dan de Bijbel tekent. In onze tijd zijn schaapskuddes in ons land min of meer zeldzaam1 en een herder in de ogen van velen een toeristische attractie2 die nauwelijks in onze samenleving lijkt te passen. In de Bijbel zijn herders echter vaak zeer respectabele mensen3 die niet zelden tot de rijken van de aarde hoorden. Job was bijvoorbeeld zo’n rijke herdersvorst. En Abraham en diens zoon Isaäk was zo mogelijk nog rijker doordat hij op een knappe manier de veeteelt met de landbouw wist te combineren. Hij was zo rijk dat de toenmalige Palestijnen in de Gazastrook hem daarom benijdden.

Zijn zoon Jakob begon met niets en moest veertien jaar lang werken om de vrouw van zijn dromen te trouwen. Verdiende al die tijd niets. Maar in de zes jaren daarna zegende God hem zo buitengewoon dat ook hij schatrijk werd en een herdersvorst van aanzien. Herders in de Bijbel waren dus niet altijd van die eenvoudige mensen zoals wij doorgaans denken. Ook niet in geestelijk opzicht. Amos leek weliswaar een heel eenvoudige herder en fruitplukker -en zo zag hij zichzelf ook-, in werkelijkheid was hij een profeet van de almachtige God.

En David, die als jongste van het gezin op de schapen moest letten, ontbrak het bepaald niet aan intelligentie en moed. Hoe jong hij ook was en onervaren in een gevecht van man tegen man, bang voor een reus als Goliath was hij niet. Als herder kon je ook niet bang zijn. Moest je eerder hard en meedogenloos zijn. Vooral voor jezelf en anderen die de schapen bedreigden. Dat stempelde vaak ook de manier waarop herders hun 'recht haalden'. In de Bijbel lezen we bijvoorbeeld dat de zonen van Jakob eens een heel dorp plunderden omdat hun zuster door de dorpsbewoners aangerand was. Toch stonden herders niet overal in het Midden-Oosten in aanzien. In het grootste deel van Egypte waren schaapherders bijvoorbeeld zelfs veracht en gehaat. Toen de farao de broers van Jozef aanbood herders van zijn kudden te zijn zagen de meeste Egyptenaren daarin bepaald niet het weggeven van erebaantjes. Eerder een bevestiging dat de Israëlieten maar een minderwaardig volkje was.

Daarom zette het zoveel kwaad bloed toen de farao de Israëlieten daarna toch buitengewoon in de watten legde. En helemaal toen de Egyptenaren zelf de eindjes nauwelijks meer aan elkaar konden knopen. Misschien was het wel daarom dat de Israëlieten altijd herders gebleven zijn in de tijd dat zij in Egypte woonden4. Zelfs toen zij gedwongen werden te helpen bij de bouw van twee voorraadsteden Pithom en Raämses. Eigenlijk was dat een wonder dat zij altijd herder zijn gebleven. Want toen tijdens één van de plagen al het Egyptische vee gedood werd, bleef hun vee gespaard. Ook was het een groot wonder dat zij met veel vee het land konden verlaten. Want de Farao wilde er aanvankelijk niets van weten dat zij bij hun vertrek vee zouden meenemen. Maar toen het zover was dat zij konden vertrekken, joeg hij hen uiteindelijk het land uit met het dringende verzoek al hun vee mee te nemen. En zo waren de Israëlieten herders gebleven en kon hun verdere geschiedenis als het ware met een herderstaf geschreven worden. Want als je eeuwenlang en van generatie op generatie herder geweest bent, stempelt dat heel je leven en bepaalt dat je denken en doen, ervaren en beleven. Ook je godsdienstige leven en je verhouding tot God. Als herder weet je hoeveel zorg schapen nodig hebben. Hoe eigenwijs zij soms zijn en eigen wegen willen gaan terwijl zij niet eens de weg weten te vinden5. Als herder weet je, beter dan wie ook, dat je schapen nooit uit het oog verliezen kunt. Moet je hen soms moeilijke wegen laten gaan om voldoende voedsel te kunnen bereiken. Als herder zorg je dat je schapen ook dan veilig verder kunnen en breng je hen op hun bestemming.

Wanneer je vanaf je vroegste jeugd af aan geleerd hebt dat de HERE God jouw herder is, dan weet je hoe ver Zijn zorg voor jou gaat en dat Hij je nooit uit het oog verliest. Dan weet je ook dat God jou soms een heel moeilijke weg laat gaan. Maar jou juist dan geen moment uit het oog verliest en je uiteindelijk op je bestemming brengt. De Bijbel geeft daarvan een paar buitengewoon tot de verbeelding sprekende voorbeelden uit het leven twee herders wier namen als van geen ander aan het herdersvolk Israël waren verbonden. Aartsvader Jakob en koning David.

Het leven van Jakob was er niet gemakkelijker op geworden nadat hij op buitengewoon onbehoorlijke manier het eerstgeboorterecht van zijn broer had gekocht6 en vervolgens door bedrog toegeëigend. Toen was zijn thuis, zijn thuis niet meer en moest hij rust en geborgenheid elders zoeken. Toen hij eindelijk zijn geluk meende te hebben hervonden door Rachel, de vrouw van zijn dromen, te trouwen werd hij bedrogen met haar fletsogende zuster Lea. En toen hij Rachel alsnog had getrouwd, bracht hem dat toch niet het geluk en de geborgenheid waarnaar hij zo verlangde. Omdat hij Lea bedroog door wel het bed met haar te delen maar niet de liefde, bleef Rachel onvruchtbaar. Hoe blij moet Jakob dan ook geweest zijn toen Rachel hem heel veel later toch een zoon van zijn liefde schonk. Maar hoe teleurgesteld raakte hij in haar toen zij door de huisgoden van haar vader te stelen het familiebezit van haar vader dacht te kunnen ontvreemden7. En hoe volledig stortte Jakobs wereld niet veel later in toen Rachel stierf tijdens de geboorte van de tweede zoon van Jakobs liefde.

Nadien leek het wel of er alleen maar dieptepunten in Jakobs leven waren. Dieptepunten, die zich aaneen regen tot een snoer van smart. Want wat gaat er niet door je heen wanneer je dochter verkracht wordt. Of wanneer je oudste zoon incest bedrijft met je eigen vrouw. Dat snijdt toch door je ziel. E dat vergeet je toch nooit meer! Net zomin dat je hebt moeten meemaken dat je eigen zoon, weduwnaar geworden, zichzelf seksueel niet meer in de hand heeft en naar de hoeren gaat en zo zijn eigen schoondochter zwanger maakt. Hoe zwart wordt je leven als het kind van je liefde na een bezoekje aan je andere kinderen spoorloos is of lijkt te zijn verscheurd door een wild dier. Dan heb je het toch niet meer! En toch noemde Jakob de HERE God zijn Herder. Want Jakob was een herder. Hij wist dus van zorg. En hij wist dat schapen soms moeilijke wegen moeten gaan. En ook dat zijn Herder hem nooit in de steek zou laten.

Met de andere herder, David, was het eigenlijk net zo gegaan. Toen Saul nog leefde was ook zijn thuis zijn thuis niet meer. En ook David koos heilloze wegen. Eerst liet hij zich verleiden door Bathseba. En toen Bathseba door hun overspel zwanger bleek, liet hij Uria van het slagveld terugkeren om hem het bed met Bathseba te laten delen en te doen voorkomen of zij van haar eigen man zwanger was geworden. Grover kan het haast niet. Of toch wel. Want toen Uria uit loyaliteit met zijn krijgsmakkers weigerde met Bathseba naar bed te gaan, ging David zelfs zo ver dat hij hem liet vermoorden. Nadien en daarom regen verdriet en zorg zich ook voor David aaneen tot een snoer van smart. Ook hij stond met het kind van zijn 'liefde' aan een graf. En ook zijn kinderen bespaarden hem de gruwel van seksueel egoïsme niet. Ook hij werd tot het diepst vernederd toen zijn zoon voor het oog van iedereen de liefde bedreef met één van zijn vrouwen. En ook zijn vaderhart bloedde toen de jaloezie van zijn zoons hen tot moord en doodslag bracht. Davids wereld stortte helemaal in toen zijn zoon Absolom hem de troon ontnam en Achitofel, zijn beste vriend en raadsman, uit wraak over wat David zijn kleindochter Bathseba had aangedaan8, Absoloms zijde koos. En toch kon David zingen dat de HERE zijn Herder is en dat hem niets ontbreekt! Zijn koorleider Asaf heeft voor hem daarover eens een paar prachtige liederen geschreven. En David zong die liederen uit volle borst en van ganser harte! Hij was immers een herder en wist van de zorg voor schapen. Ook en zeker wanneer het leven van schapen moeilijk of gevaarlijk is. Dat had hij als herder maar al te goed geleerd als veedieven zijn schapen wilden roven9 of wilde dieren hen probeerden te doden.

Hoewel herders pure individualisten zijn en niet bang uitgevallen, werkten 's nachts toch het liefste met elkaar samen. Toen de Farizeeërs Jezus eens verweten dat Hij veel te intiem omging met de zondaars van deze wereld, heeft Hij die gewoonte om met elkaar samen te werken eens gebruikt om duidelijk te maken waarom Hij met hoeren en tollenaars omging. Hij vroeg hen wat zij zouden doen wanneer zij ontdekten dat één van hun schapen verdwaald was. Dan zouden zij hun collega's toch vragen even op hun 99 andere schapen te letten en het verdwaalde schaap gaan zoeken! En wanneer zij het gevonden hadden zouden zij toch blij zijn en hun collega's met hen! Om dezelfde reden, zei Jezus, zocht Hij zondaars op om hen te vinden. En wanneer zij zich lieten vinden, ook al was het maar een enkeling, zou er blijdschap in de hemel zijn. De manier waarop herders gewend waren met elkaar samen te werken, had Jezus een paar maanden eerder ook al eens gebruikt10 om duidelijk te maken Wie Hij was en waarom Hij deed zoals Hij deed. In Zijn tijd waren de herders gewend hun schapen 's nachts in een gemeenschappelijke schaapskooi bijeen te brengen. Dat deden zij niet om de schapen tegen regen of de koude van de nacht te beschermen -schapen kunnen namelijk wel tegen een stootje- maar wel om hen tegen wilde dieren of veedieven te beschermen. Door een paar kuddes in één stal samen te brengen en bij toerbeurt de wacht te houden, konden de herders vaak nog een heel behoorlijke nachtrust hebben11.

Zo'n schaapskooi was niet meer dan een door zwerfstenen en stokken omheinde ruimte in het open veld. In de omheining was een nauwe opening gelaten juist breed genoeg om de schapen één voor één door te laten en smal genoeg om, wanneer een volwassen herder in de opening ging zitten, die opening helemaal af te sluiten. Die herder was, om zo te zeggen, de deur van de schaapskooi. Wanneer iemand de schaapskooi binnen wilde gaan dan kon hij dat alleen via hem. En hij zou behalve zijn collega's, niemand tot de schaapskooi toelaten. Wie toch de schaapskooi zou willen binnengaan, moest over de muur klimmen of de herder van de wacht overmeesteren. Maar zelfs dat had geen zin. Want wanneer hij vervolgens zou proberen de schapen mee te lokken, zouden zij hem toch niet volgen. Schapen volgen alleen de stem van hun eigen herder. Hoe duidelijk dit beeld ook tot de verbeelding sprak, toch wisten de Farizeeërs niet goed wat Jezus ermee bedoelde. Als Hij met de schapen de kerkgemeenschap, en met de herders de kerkleiders op het oog, dan was dat helemaal in lijn met de taal van de profeten. Maar waarom Hij Zichzelf vervolgens de Goede Herder kon noemen of de deur van de schaapskooi, dat zagen zij niet goed. Dat wilden zij niet zien en daarom konden zij het niet zien. Met hen was precies gebeurd wat de profeet Jesaja had gezegd dat gebeuren zou, zij waren ziende blind en horende doof. Daarop doelde Jezus toen zij Hem nauwelijks een uur eerder12 gevraagd hadden of zij misschien blind waren.

Wat dat betreft was het eigenlijk niet nodig dat Hij hen zou uitleggen wat Hij met het beeld van de schaapskooi bedoelde. Toch deed Jezus dat. Naar Joods gebruik vroeg daarvoor zelfs heel speciaal hun aandacht door tweemaal vlak achter elkaar te zeggen dat Hij de deur van de schaapskooi en de Goede Herder is. Niemand kon daar dus omheen. Ook niet dat Hij Zijn schapen beter kent dan welke herder ook. En dat Hij niet zoals onervaren herders bang is of bij dreigend gevaar eerder aan zichzelf dan aan zijn schapen denkt. Dat Hij werkelijk Zijn leven over heeft voor Zijn schapen. En dat alleen wie door Hem binnengaat veilig is. Of de Farizeeërs en gewone mensen begrepen dat Jezus met die laatste woorden op het Koninkrijk van God doelde, vertelt de Bijbel niet. Waarschijnlijk wel, want Hij had vaak genoeg met hen over het Koninkrijk van God gesproken. Maar wat Hij met de andere schapen bedoelde die samen met hen één kudde zouden vormen was hen volslagen duister. Hoe kon Hij over een andere kudde spreken of andere schapen? Alleen het Joodse volk was toch het volk van God! Hoezo dan een andere kudde? Had God dan ook met andere volken een verbond gesloten? Of had Zijn verbond met Israël afgedaan? Dat kon toch niet, God had toch een eeuwig verbond met Israël? En met Israël alleen! Hoe kon Jezus dan zeggen dat zij niet bij Gods kudde hoorden? Omdat zij niet in Hem wilden geloven? Dat was te gek voor woorden. Iemand die zoiets zegt is niet goed bij zijn verstand! Dachten en zeiden de Farizeeërs. Zo gaat dat wanneer een mens verstrikt zit in het weg van eigen denken en dunk. Dan ga je voorbij aan het evangelie van Gods Zoon. Dat door Christus het evangelie van redding voor allen mensen geldt, ook voor niet-Joden.

Luister daarom naar de stem van de Goede Herder. Dan heb je alles wat je nodig hebt nu en voor eeuwig en altijd! Zelfs wanneer de kerkdeuren voor je gevoel potdicht zitten.

Weet dan dat Jezus, de deur van de schaapskooi, de deur nooit dicht gooit voor wie Hem hoort. En voor wie bij Hem, de Goede Herder, veilig wil zijn.


1 Het Centraal Bureau voor de Statistiek meldde dat het aantal schapen in de periode van 1992 tot 1999 daalde van ruim 2 miljoen naar 1.2 miljoen, vooral omdat in die periode schapenwol zo weinig opbracht dat het nauwelijks kostendekkend was de schapen te scheren.

 

 

2 Toen in de zomer van 2000 bekend werd dat de regering van plan was de overheidssubsidie voor schaapskuddes (10.000 gulden per kudde per jaar) te laten vervallen, verwachtte men dat binnen één jaar de helft van 24 schaapskuddes in Nederland zou verdwijnen.

 

3 Egypte was vrijwel het enige land waarin men neerkeek op herders en hen vanwege hun gewoontes haatte. (Genesis 46,34)

 

4 Dat de Israëlieten herders gebleven zijn in de tijd dat zij in Egypte woonden, blijkt uit het feit dat zij hun vertrek heel veel vee meenamen. (Exodus 12,37-38)

5 Hoewel het Nederlandse gezegde 'Als er één schaap over de dam is, volgen er meer', suggereert dat schapen de weg weten te vinden, is de werkelijkheid heel anders. Schapen hebben een herder nodig. Zelfs in de kudde weten zij niet waarheen zij moeten gaan. In een kudde schapen lopen daarom altijd een paar geiten rond die de weg weten te vinden. In onze tijd zie je dat nog altijd in bijvoorbeeld Turkije. En in de Bijbel lezen we dat ook vroeger herders een paar geiten lieten meelopen om de kudde voor te gaan (Jeremia 50,8)

6 In een oud Noezi-document, Noezi is een stad in het vroegere Mesopathamië, dus zeg maar de tijd van Abraham, staat dat het op zich niet ongebruikelijk was dat een jongere broer het eerstgeboorterecht van zijn oudste broer kocht. Dat gebeurde dan in goed overleg en tegen de gebruikelijke prijs van 3 schapen. Het onbehoorlijke van Jakob was dat hij een moment van zwakte van zijn broer misbruikte om het eerstgeboorterecht te kopen en daarvoor slechts een kop soep betaalde. (Genesis 25,31)

7 Volgens de gebruiken in Haran kan degene die de huisgoden bezit, een rechtsgeldige aanspraak maken op het familiebezit

8 Bathseba was namelijk de dochter van Eliam (2 Samuel), de zoon van Achitofel (2 Samuel 23,24-34b)

9 Hoewel het niet met zoveel woorden in de Bijbel staat, mogen we uit het verband en de woorden van de tekst van het verhaal wel opmaken dat David en zijn mannen de kudden van Nathan met name tegen veedieven hebben beschermd: (1 Samuel 25,15-16)

10 Volgens de tijdsindeling die Dr Jakob van Bruggen volgt in zijn 'Christus op aarde' heeft Jezus het beeld van het ene schaap wat zoek was, gebruikt in een gesprek  met de Farizeeërs niet zo lang na de opwekking van Lazarus. Dus vlak voor het Paasfeest. Het beeld van de Goede Herder heeft Jezus op zijn minst een paar maanden eerder gebruikt, namelijk vlak nadat Hij de blindgeboren man na het Loofhuttenfeest het zicht in de ogen gegeven had

11 Daardoor waren de herders van Efratha ook in staat naar Bethlehem te gaan (Lucas 2,15b-16a) toen de engel hen verteld had dat Jezus geboren was. (Lucas 2,8-11)

12 De evangelist Johannes geeft geen datering bij de gelijkenis van de schaapskooi en Goede Herder. Maar het slot van hoofdstuk 9 met Jezus’ waarschuwende woorden aan het adres van de Farizeeërs sluit wel heel nauw aan bij de eerste woorden van hoofdstuk 10 “Onthoud goed wat Ik u zeg’. En ook het slot van de beeldspraak over de herder en schaapskooi wijst erop dat Jezus die beeldspraak gebruikte vlak nadat Hij met de Farizeeërs in discussie geraakt was over Zijn genezing van de blindgeboren man. (Johannes 10,21).