8. De Goede Herder.

Wie zegt dat het oudste beroep ter wereld dat van een hoer is, spreekt anders dan de Bijbel. Het eerste beroep waarover we in de Bijbel lezen is namelijk dat van een herder. En wie denkt dat herders in de Bijbel eenzelfde te vergelijken zijn met herders in onze tijd, heeft over herders een heel ander beeld dan de Bijbel tekent. In onze tijd zijn schaapskuddes in ons land min of meer zeldzaam1 en een herder in de ogen van velen een toeristische attractie2 die nauwelijks in onze samenleving lijkt te passen. In de Bijbel zijn herders echter vaak zeer respectabele mensen3 die niet zelden tot de rijken van de aarde hoorden. Job was bijvoorbeeld zo’n rijke herdersvorst. En Abraham en diens zoon Isaäk was zo mogelijk nog rijker doordat hij op een knappe manier de veeteelt met de landbouw wist te combineren. Hij was zo rijk dat de toenmalige Palestijnen in de Gazastrook hem daarom benijdden.

Zijn zoon Jakob begon met niets en moest veertien jaar lang werken om de vrouw van zijn dromen te trouwen. Verdiende al die tijd niets. Maar in de zes jaren daarna zegende God hem zo buitengewoon dat ook hij schatrijk werd en een herdersvorst van aanzien. Herders in de Bijbel waren dus niet altijd van die eenvoudige mensen zoals wij doorgaans denken. Ook niet in geestelijk opzicht. Amos leek weliswaar een heel eenvoudige herder en fruitplukker -en zo zag hij zichzelf ook-, in werkelijkheid was hij een profeet van de almachtige God.

En David, die als jongste van het gezin op de schapen moest letten, ontbrak het bepaald niet aan intelligentie en moed. Hoe jong hij ook was en onervaren in een gevecht van man tegen man, bang voor een reus als Goliath was hij niet. Als herder kon je ook niet bang zijn. Moest je eerder hard en meedogenloos zijn. Vooral voor jezelf en anderen die de schapen bedreigden. Dat stempelde vaak ook de manier waarop herders hun 'recht haalden'. In de Bijbel lezen we bijvoorbeeld dat de zonen van Jakob eens een heel dorp plunderden omdat hun zuster door de dorpsbewoners aangerand was. Toch stonden herders niet overal in het Midden-Oosten in aanzien. In het grootste deel van Egypte waren schaapherders bijvoorbeeld zelfs veracht en gehaat. Toen de farao de broers van Jozef aanbood herders van zijn kudden te zijn zagen de meeste Egyptenaren daarin bepaald niet het weggeven van erebaantjes. Eerder een bevestiging dat de Israëlieten maar een minderwaardig volkje was.

Daarom zette het zoveel kwaad bloed toen de farao de Israëlieten daarna toch buitengewoon in de watten legde. En helemaal toen de Egyptenaren zelf de eindjes nauwelijks meer aan elkaar konden knopen. Misschien was het wel daarom dat de Israëlieten altijd herders gebleven zijn in de tijd dat zij in Egypte woonden4. Zelfs toen zij gedwongen werden te helpen bij de bouw van twee voorraadsteden Pithom en Raämses. Eigenlijk was dat een wonder dat zij altijd herder zijn gebleven. Want toen tijdens één van de plagen al het Egyptische vee gedood werd, bleef hun vee gespaard. Ook was het een groot wonder dat zij met veel vee het land konden verlaten. Want de Farao wilde er aanvankelijk niets van weten dat zij bij hun vertrek vee zouden meenemen. Maar toen het zover was dat zij konden vertrekken, joeg hij hen uiteindelijk het land uit met het dringende verzoek al hun vee mee te nemen. En zo waren de Israëlieten herders gebleven en kon hun verdere geschiedenis als het ware met een herderstaf geschreven worden. Want als je eeuwenlang en van generatie op generatie herder geweest bent, stempelt dat heel je leven en bepaalt dat je denken en doen, ervaren en beleven. Ook je godsdienstige leven en je verhouding tot God. Als herder weet je hoeveel zorg schapen nodig hebben. Hoe eigenwijs zij soms zijn en eigen wegen willen gaan terwijl zij niet eens de weg weten te vinden5. Als herder weet je, beter dan wie ook, dat je schapen nooit uit het oog verliezen kunt. Moet je hen soms moeilijke wegen laten gaan om voldoende voedsel te kunnen bereiken. Als herder zorg je dat je schapen ook dan veilig verder kunnen en breng je hen op hun bestemming.

Wanneer je vanaf je vroegste jeugd af aan geleerd hebt dat de HERE God jouw herder is, dan weet je hoe ver Zijn zorg voor jou gaat en dat Hij je nooit uit het oog verliest. Dan weet je ook dat God jou soms een heel moeilijke weg laat gaan. Maar jou juist dan geen moment uit het oog verliest en je uiteindelijk op je bestemming brengt. De Bijbel geeft daarvan een paar buitengewoon tot de verbeelding sprekende voorbeelden uit het leven twee herders wier namen als van geen ander aan het herdersvolk Israël waren verbonden. Aartsvader Jakob en koning David.

Het leven van Jakob was er niet gemakkelijker op geworden nadat hij op buitengewoon onbehoorlijke manier het eerstgeboorterecht van zijn broer had gekocht6 en vervolgens door bedrog toegeëigend. Toen was zijn thuis, zijn thuis niet meer en moest hij rust en geborgenheid elders zoeken. Toen hij eindelijk zijn geluk meende te hebben hervonden door Rachel, de vrouw van zijn dromen, te trouwen werd hij bedrogen met haar fletsogende zuster Lea. En toen hij Rachel alsnog had getrouwd, bracht hem dat toch niet het geluk en de geborgenheid waarnaar hij zo verlangde. Omdat hij Lea bedroog door wel het bed met haar te delen maar niet de liefde, bleef Rachel onvruchtbaar. Hoe blij moet Jakob dan ook geweest zijn toen Rachel hem heel veel later toch een zoon van zijn liefde schonk. Maar hoe teleurgesteld raakte hij in haar toen zij door de huisgoden van haar vader te stelen het familiebezit van haar vader dacht te kunnen ontvreemden7. En hoe volledig stortte Jakobs wereld niet veel later in toen Rachel stierf tijdens de geboorte van de tweede zoon van Jakobs liefde.

Nadien leek het wel of er alleen maar dieptepunten in Jakobs leven waren. Dieptepunten, die zich aaneen regen tot een snoer van smart. Want wat gaat er niet door je heen wanneer je dochter verkracht wordt. Of wanneer je oudste zoon incest bedrijft met je eigen vrouw. Dat snijdt toch door je ziel. E dat vergeet je toch nooit meer! Net zomin dat je hebt moeten meemaken dat je eigen zoon, weduwnaar geworden, zichzelf seksueel niet meer in de hand heeft en naar de hoeren gaat en zo zijn eigen schoondochter zwanger maakt. Hoe zwart wordt je leven als het kind van je liefde na een bezoekje aan je andere kinderen spoorloos is of lijkt te zijn verscheurd door een wild dier. Dan heb je het toch niet meer! En toch noemde Jakob de HERE God zijn Herder. Want Jakob was een herder. Hij wist dus van zorg. En hij wist dat schapen soms moeilijke wegen moeten gaan. En ook dat zijn Herder hem nooit in de steek zou laten.

Met de andere herder, David, was het eigenlijk net zo gegaan. Toen Saul nog leefde was ook zijn thuis zijn thuis niet meer. En ook David koos heilloze wegen. Eerst liet hij zich verleiden door Bathseba. En toen Bathseba door hun overspel zwanger bleek, liet hij Uria van het slagveld terugkeren om hem het bed met Bathseba te laten delen en te doen voorkomen of zij van haar eigen man zwanger was geworden. Grover kan het haast niet. Of toch wel. Want toen Uria uit loyaliteit met zijn krijgsmakkers weigerde met Bathseba naar bed te gaan, ging David zelfs zo ver dat hij hem liet vermoorden. Nadien en daarom regen verdriet en zorg zich ook voor David aaneen tot een snoer van smart. Ook hij stond met het kind van zijn 'liefde' aan een graf. En ook zijn kinderen bespaarden hem de gruwel van seksueel egoïsme niet. Ook hij werd tot het diepst vernederd toen zijn zoon voor het oog van iedereen de liefde bedreef met één van zijn vrouwen. En ook zijn vaderhart bloedde toen de jaloezie van zijn zoons hen tot moord en doodslag bracht. Davids wereld stortte helemaal in toen zijn zoon Absolom hem de troon ontnam en Achitofel, zijn beste vriend en raadsman, uit wraak over wat David zijn kleindochter Bathseba had aangedaan8, Absoloms zijde koos. En toch kon David zingen dat de HERE zijn Herder is en dat hem niets ontbreekt! Zijn koorleider Asaf heeft voor hem daarover eens een paar prachtige liederen geschreven. En David zong die liederen uit volle borst en van ganser harte! Hij was immers een herder en wist van de zorg voor schapen. Ook en zeker wanneer het leven van schapen moeilijk of gevaarlijk is. Dat had hij als herder maar al te goed geleerd als veedieven zijn schapen wilden roven9 of wilde dieren hen probeerden te doden.

Hoewel herders pure individualisten zijn en niet bang uitgevallen, werkten 's nachts toch het liefste met elkaar samen. Toen de Farizeeërs Jezus eens verweten dat Hij veel te intiem omging met de zondaars van deze wereld, heeft Hij die gewoonte om met elkaar samen te werken eens gebruikt om duidelijk te maken waarom Hij met hoeren en tollenaars omging. Hij vroeg hen wat zij zouden doen wanneer zij ontdekten dat één van hun schapen verdwaald was. Dan zouden zij hun collega's toch vragen even op hun 99 andere schapen te letten en het verdwaalde schaap gaan zoeken! En wanneer zij het gevonden hadden zouden zij toch blij zijn en hun collega's met hen! Om dezelfde reden, zei Jezus, zocht Hij zondaars op om hen te vinden. En wanneer zij zich lieten vinden, ook al was het maar een enkeling, zou er blijdschap in de hemel zijn. De manier waarop herders gewend waren met elkaar samen te werken, had Jezus een paar maanden eerder ook al eens gebruikt10 om duidelijk te maken Wie Hij was en waarom Hij deed zoals Hij deed. In Zijn tijd waren de herders gewend hun schapen 's nachts in een gemeenschappelijke schaapskooi bijeen te brengen. Dat deden zij niet om de schapen tegen regen of de koude van de nacht te beschermen -schapen kunnen namelijk wel tegen een stootje- maar wel om hen tegen wilde dieren of veedieven te beschermen. Door een paar kuddes in één stal samen te brengen en bij toerbeurt de wacht te houden, konden de herders vaak nog een heel behoorlijke nachtrust hebben11.

Zo'n schaapskooi was niet meer dan een door zwerfstenen en stokken omheinde ruimte in het open veld. In de omheining was een nauwe opening gelaten juist breed genoeg om de schapen één voor één door te laten en smal genoeg om, wanneer een volwassen herder in de opening ging zitten, die opening helemaal af te sluiten. Die herder was, om zo te zeggen, de deur van de schaapskooi. Wanneer iemand de schaapskooi binnen wilde gaan dan kon hij dat alleen via hem. En hij zou behalve zijn collega's, niemand tot de schaapskooi toelaten. Wie toch de schaapskooi zou willen binnengaan, moest over de muur klimmen of de herder van de wacht overmeesteren. Maar zelfs dat had geen zin. Want wanneer hij vervolgens zou proberen de schapen mee te lokken, zouden zij hem toch niet volgen. Schapen volgen alleen de stem van hun eigen herder. Hoe duidelijk dit beeld ook tot de verbeelding sprak, toch wisten de Farizeeërs niet goed wat Jezus ermee bedoelde. Als Hij met de schapen de kerkgemeenschap, en met de herders de kerkleiders op het oog, dan was dat helemaal in lijn met de taal van de profeten. Maar waarom Hij Zichzelf vervolgens de Goede Herder kon noemen of de deur van de schaapskooi, dat zagen zij niet goed. Dat wilden zij niet zien en daarom konden zij het niet zien. Met hen was precies gebeurd wat de profeet Jesaja had gezegd dat gebeuren zou, zij waren ziende blind en horende doof. Daarop doelde Jezus toen zij Hem nauwelijks een uur eerder12 gevraagd hadden of zij misschien blind waren.

Wat dat betreft was het eigenlijk niet nodig dat Hij hen zou uitleggen wat Hij met het beeld van de schaapskooi bedoelde. Toch deed Jezus dat. Naar Joods gebruik vroeg daarvoor zelfs heel speciaal hun aandacht door tweemaal vlak achter elkaar te zeggen dat Hij de deur van de schaapskooi en de Goede Herder is. Niemand kon daar dus omheen. Ook niet dat Hij Zijn schapen beter kent dan welke herder ook. En dat Hij niet zoals onervaren herders bang is of bij dreigend gevaar eerder aan zichzelf dan aan zijn schapen denkt. Dat Hij werkelijk Zijn leven over heeft voor Zijn schapen. En dat alleen wie door Hem binnengaat veilig is. Of de Farizeeërs en gewone mensen begrepen dat Jezus met die laatste woorden op het Koninkrijk van God doelde, vertelt de Bijbel niet. Waarschijnlijk wel, want Hij had vaak genoeg met hen over het Koninkrijk van God gesproken. Maar wat Hij met de andere schapen bedoelde die samen met hen één kudde zouden vormen was hen volslagen duister. Hoe kon Hij over een andere kudde spreken of andere schapen? Alleen het Joodse volk was toch het volk van God! Hoezo dan een andere kudde? Had God dan ook met andere volken een verbond gesloten? Of had Zijn verbond met Israël afgedaan? Dat kon toch niet, God had toch een eeuwig verbond met Israël? En met Israël alleen! Hoe kon Jezus dan zeggen dat zij niet bij Gods kudde hoorden? Omdat zij niet in Hem wilden geloven? Dat was te gek voor woorden. Iemand die zoiets zegt is niet goed bij zijn verstand! Dachten en zeiden de Farizeeërs. Zo gaat dat wanneer een mens verstrikt zit in het weg van eigen denken en dunk. Dan ga je voorbij aan het evangelie van Gods Zoon. Dat door Christus het evangelie van redding voor allen mensen geldt, ook voor niet-Joden.

Luister daarom naar de stem van de Goede Herder. Dan heb je alles wat je nodig hebt nu en voor eeuwig en altijd! Zelfs wanneer de kerkdeuren voor je gevoel potdicht zitten.

Weet dan dat Jezus, de deur van de schaapskooi, de deur nooit dicht gooit voor wie Hem hoort. En voor wie bij Hem, de Goede Herder, veilig wil zijn.


1 Het Centraal Bureau voor de Statistiek meldde dat het aantal schapen in de periode van 1992 tot 1999 daalde van ruim 2 miljoen naar 1.2 miljoen, vooral omdat in die periode schapenwol zo weinig opbracht dat het nauwelijks kostendekkend was de schapen te scheren.

 

2 Toen in de zomer van 2000 bekend werd dat de regering van plan was de overheidssubsidie voor schaapskuddes (10.000 gulden per kudde per jaar) te laten vervallen, verwachtte men dat binnen één jaar de helft van 24 schaapskuddes in Nederland zou verdwijnen.

 

3 Egypte was vrijwel het enige land waarin men neerkeek op herders en hen vanwege hun gewoontes haatte. (Genesis 46,34)

 

4 Dat de Israëlieten herders gebleven zijn in de tijd dat zij in Egypte woonden, blijkt uit het feit dat zij hun vertrek heel veel vee meenamen. (Exodus 12,37-38)

5 Hoewel het Nederlandse gezegde 'Als er één schaap over de dam is, volgen er meer', suggereert dat schapen de weg weten te vinden, is de werkelijkheid heel anders. Schapen hebben een herder nodig. Zelfs in de kudde weten zij niet waarheen zij moeten gaan. In een kudde schapen lopen daarom altijd een paar geiten rond die de weg weten te vinden. In onze tijd zie je dat nog altijd in bijvoorbeeld Turkije. En in de Bijbel lezen we dat ook vroeger herders een paar geiten lieten meelopen om de kudde voor te gaan (Jeremia 50,8)

6 In een oud Noezi-document, Noezi is een stad in het vroegere Mesopathamië, dus zeg maar de tijd van Abraham, staat dat het op zich niet ongebruikelijk was dat een jongere broer het eerstgeboorterecht van zijn oudste broer kocht. Dat gebeurde dan in goed overleg en tegen de gebruikelijke prijs van 3 schapen. Het onbehoorlijke van Jakob was dat hij een moment van zwakte van zijn broer misbruikte om het eerstgeboorterecht te kopen en daarvoor slechts een kop soep betaalde. (Genesis 25,31)

7 Volgens de gebruiken in Haran kan degene die de huisgoden bezit, een rechtsgeldige aanspraak maken op het familiebezit

8 Bathseba was namelijk de dochter van Eliam (2 Samuel), de zoon van Achitofel (2 Samuel 23,24-34b)

9 Hoewel het niet met zoveel woorden in de Bijbel staat, mogen we uit het verband en de woorden van de tekst van het verhaal wel opmaken dat David en zijn mannen de kudden van Nathan met name tegen veedieven hebben beschermd: (1 Samuel 25,15-16)

10 Volgens de tijdsindeling die Dr Jakob van Bruggen volgt in zijn 'Christus op aarde' heeft Jezus het beeld van het ene schaap wat zoek was, gebruikt in een gesprek  met de Farizeeërs niet zo lang na de opwekking van Lazarus. Dus vlak voor het Paasfeest. Het beeld van de Goede Herder heeft Jezus op zijn minst een paar maanden eerder gebruikt, namelijk vlak nadat Hij de blindgeboren man na het Loofhuttenfeest het zicht in de ogen gegeven had

11 Daardoor waren de herders van Efratha ook in staat naar Bethlehem te gaan (Lucas 2,15b-16a) toen de engel hen verteld had dat Jezus geboren was. (Lucas 2,8-11)

12 De evangelist Johannes geeft geen datering bij de gelijkenis van de schaapskooi en Goede Herder. Maar het slot van hoofdstuk 9 met Jezus’ waarschuwende woorden aan het adres van de Farizeeërs sluit wel heel nauw aan bij de eerste woorden van hoofdstuk 10 “Onthoud goed wat Ik u zeg’. En ook het slot van de beeldspraak over de herder en schaapskooi wijst erop dat Jezus die beeldspraak gebruikte vlak nadat Hij met de Farizeeërs in discussie geraakt was over Zijn genezing van de blindgeboren man. (Johannes 10,21).