3 Jezus volgen vraagt alles.

2 Johannes de Doper

Als je niet beter wist zou je de mensen, die zeggen dat Johannes de Doper toch wel een beetje een zonderling was, nog gelijk geven ook. Hij woonde in de woestijn, kleedde zich als een landloper en at sprinkhanen met honing. In zijn eigen tijd was Johannes echter helemaal geen zonderling. De Essenen in de buurt van de plaats waar hij preekte en doopte, woonden net zoals hij uiterst sober aan de rand van de woestijn1. Zij kenden zelfs een reinigingsceremonie die wel wat leek op de doop van Johannes. Er zijn theologen die daarom menen dat Johannes de Doper een heel gewone Esseen2 was. In zijn tijd waren er echter maar heel weinig mensen die dat dachten. De Bijbel zegt daarover niets maar tekent juist een heel ander beeld van Johannes. Wanneer Johannes een gewone Esseen was geweest, hadden de Joodse geestelijke leiders hem vast niet zo 'belangstellend' gevraagd wie hij was of wat de rechtsgrond van zijn doop was. Bovendien vertelt de Bijbel heel nadrukkelijk dat Johannes' taak een heel andere was dan de Essenen zich gesteld hadden3. Johannes moest de komst van Jezus voorbereiden en doopte daarom een doop van bekering. Als er als iets bijzonders was aan Johannes’ optreden dan was dat die doop van bekering wel. Want juist in die tijd waren de Joden buitengewoon godsdienstig en namen zij het heel nauw met de wet4.

En toch waren het niet alleen de mensen die duidelijk op de verkeerde weg zaten die zich door Johannes lieten dopen, maar gewone Joodse mannen en vrouwen en niet zo weinig ook. Johannes vertelde namelijk van het Koninkrijk van God dat heel dichtbij was en hij sprak over de komst van de Messias. Dat betekende niet meer of minder dan dat de Joodse heilstaat van het einde van de tijd aanstaande was. Daarnaar verlangden de Joden juist in die tijd meer dan ooit. Door wat Johannes zei over de Redder van de wereld dachten sommige mensen zelfs dat Johannes de beloofde Messias was . Of anders de Elia of de profeet die zou komen om Zijn komst voor te bereiden5. Johannes heeft echter steeds en heel nadrukkelijk ontkend dat hij de Messias zou zijn. Ook dat hij de Elia was die vlak voor de komst van de Messias zou komen. Dat was vreemd, want dat was hij wel! Dat wist Johannes ook wel of eigenlijk niet. Hij wist toen namelijk nog niet precies wie Jezus was6. Voor de meeste Joden maakte dat trouwens niet uit. Johannes was een bijzonder mens! Wat hij zei was bijzonder. Dat was taal naar hun hart. Zijn boodschap over het Koninkrijk van God sprak vooral de Joden uit Galilea aan. Zij waren toch al zo op hun vrijheid gesteld. In de tijd toen Johannes geboren werd, waren zij al eens onder aanvoering van Judas de Galileër in opkomst gekomen tegen de Romeinse overheersing. En in de tijd van Jezus’ optreden zouden een paar Galilese mannen dat op kleinere schaal opnieuw doen7. Geen wonder dus dat een stel Galilese vissers zich tot Johannes aangetrokken voelden, en hem een tijd lang als leerling gevolgd zijn8. Niet wetend dat hun periode met Johannes de Doper hen zou voorbeiden later discipel van en nog weer later apostel voor Jezus te zijn. Jezus roept namelijk niemand zonder hem of haar9 daarop terdege voor te bereiden10.

In de tijd dat Johannes de Doper optrad in de omgeving van het Overjordaanse Bethanië, woonde Jezus bij Zijn ouders in Nazareth waar Hij als timmerman in de zaak van vader Jossi11 werkte. Tegen de tijd dat ook Hij in het openbaar zou gaan optreden, is Hij naar Johannes de Doper gegaan12 om Zich te laten dopen. Jezus kende Johannes al. Moeder Maria had Hem ongetwijfeld verteld over de bijzondere zwangerschap van tante Elisabeth. Tijdens de grote Joodse feesten had Hij Johannes vast en zeker wel eens in Jeruzalem ontmoet. Als mens mocht Johannes misschien aan de rand van de samenleving leven, in godsdienstig opzicht was hij bepaald geen randfiguur. Dus ging ook hij zoals de wet van hem vroeg drie keer per jaar naar Jeruzalem om de oogstfeesten te vieren. Maar ook zonder die ontmoetingen kende Jezus Johannes beter dan wie ook en wist Hij precies waarom hij de mensen doopte die zich bekeerd hadden. Daarom was het eigenlijk vreemd dat Hij Zich door Johannes wilde laten dopen. Want waarvan zou Jezus Zich moeten bekeren? Hij was toch zonder zonde! En in Wie moest Hij geloven? Hij was toch de Zoon van God! Dat wist ook Johannes maar al te goed. Zijn moeder zal hem vast wel hebben verteld over de bijzondere zwangerschap van Maria, die als meisje van zestien13 zwanger werd zonder dat zij seksuele gemeenschap had gehad. Johannes wilde daarom Jezus beslist niet dopen. Terecht. Want toen Johannes Hem op diens uitdrukkelijk verzoek toch gedoopt had, werd nog voordat de doopplechtigheid voorbij was, de doophandeling Johannes uit handen genomen. Terwijl Jezus uit het water klom en God dankte voor Zijn doop, scheurde de hemel open en daalde de Heilige Geest op Hem neer, waarop een Stem uit de hemel dat Hij de Zoon van God was. Reken maar dat dat indruk maakte op ieder die dat zag of hoorde. Ook op de toekomstige discipelen van Jezus14. Maar vooral op Johannes de Doper. Want toen hij zag wat er gebeurde en hoorde wat de stem uit de hemel zei, begreep hij ineens dat Jezus werkelijk de Zoon van God was! Toen begreep Johannes dat hij wèl de Elia was die de komst van de Messias moest voorbereiden15.

Dat maakte hem nog meer gedreven dan hij al was vertelde hij in nog meer tot de verbeelding sprekende beelden van Jezus. Toen Jezus hem zes weken later opnieuw opzocht noemde hij Hem zelfs het Lam van God. De mensen die het hoorden moeten haast wel verwonderd en nieuwsgierig hebben rondkeken wie Johannes daarmee bedoelde. Een mens lam van God16? Dat kon haast niet. Dat gold hooguit van Abraham. Nadat God hem gevraagd had zijn verleden en familie vaarwel te zeggen17, was hij bereid geweest ook zijn toekomst vaarwel te zeggen door zijn zoon Isaäk voor Hem op te offeren18. Bedoelde Johannes dat Jezus uit Galilea net zoals Abraham op God vertrouwde? Tot over de grenzen van wat mensen aan gehoorzaamheid kunnen opbrengen19? Toch was er niemand die dat vroeg. Er was niemand die ook maar enige aandacht aan Jezus schonk. Zelfs de discipelen van Johannes niet die nota bene zes weken eerder nog hadden gehoord dat God Jezus zijn Zoon genoemd had. Dat drong pas tot hen door toen Johannes Jezus opnieuw het Lam van God noemde. Andreas en Johannes20, twee van Johannes’ discipelen, werden nieuwsgierig en wilden wel eens weten wie Jezus nu eigenlijk was en waar Hij woonde. Zij gingen Hem achterna en zijn de rest van de dag bij Hem gebleven21. Hoewel de Bijbel dat niet met zoveel woorden vertelt, is het wel zeker dat Jezus hen verteld heeft dat Hij de Messias is. Want toen Andreas later op de dag zijn broer Simon tegenkwam, schreeuwde hij het bijna uit ‘wij hebben de Messias gevonden’1 Hoe laat het ook was, heeft hij Simon meegenomen naar Jezus. Dan kon hij zelf ook zien en horen. En geloven. En dat deed hij, vol verbazing. Want toen Simon Jezus zag, bleek dat Hij hem al kende. Simon kreeg zelfs een nieuwe naam Petrus! Of beter gezegd en zoals ook later zou blijken, een nieuwe taak. Rots en steunpilaar in Christus’ kerk! Toen kon ook Petrus ook over niets anders spreken. Hij vertelde op zijn beurt vol enthousiasme aan Filippus over zijn ontmoeting met Jezus. Dat staat weliswaar niet zo in de Bijbel maar dat moet haast wel. Want toen Jezus de volgende dag aan Filippus vroeg Hem te volgen, hoefde hij daarover niet meer na te denken. Maar al te graag! Want dat was niet niks. Hij, een eenvoudige visser uit Galilea, mocht volgeling worden van de Messias! Dat moest hij zijn vriend Nathanaël vertellen. En dat Jezus helemaal niet de zoon was van de timmerman uit Nazareth was, maar de Messias! Maar daar geloofde Nathanaël helemaal niets van. Hoe kon de zoon van een timmerman uit Nazareth, de Messias zou zijn? Uit Nazareth nog wel, dat kon helemaal niet! Maar toen Filippus Nathanaël bij Jezus had gebracht en Nathanaël bemerkte dat Jezus hem al kende en zelfs wist wat hij die ochtend had gedaan, moest ook Nathanaël wel geloven.

Na die eerste kennismaking is Jezus met Zijn toekomstige discipelen eerst 'even' naar Kana in Galilea gegaan om daar een bruiloft bij te wonen waarvoor Hij was uitgenodigd22. 'Even' en 'op het laatste nippertje'. Want de reis vanuit Judea naar Kana in het bergland van Galilea kostte al twee dagen. Dadelijk na de bruiloft is Jezus weer naar Jeruzalem gegaan om daar het Paasfeest te vieren en daarna in Judea te gaan preken en dopen. Het leek wel alsof de bruiloft in Kana niet zo belangrijk was. Maar dat was de bruiloft juist wel. Zij was het officiële begin van Jezus' optreden. En bewijs dat Hij de Messias was waarover de profeten gesproken hadden, het Licht dat uit Galilea zou komen! Om daarop heel scherp de aandacht te laten vallen, heeft Jezus tijdens de bruiloft water in wijn veranderd. Dan moest wel duidelijk worden dat Hij een bijzonder mens was. Dat was ook precies wat de discipelen toen geloofden. En later hebben zij het hoe en waarom van dat bijzondere moment heel goed begrepen en herinnerd. Petrus heeft daarvan heel nadrukkelijk getuigd bij de doop van de Italiaanse legerofficier toen hij zei dat Jezus Zijn optreden in Galilea was begonnen. Want het grote wonder van Kana was niet dat Jezus met het wijnwonder de bruiloft redde, maar dat Hij water in wijn veranderde. Dat werd duidelijk in het laatste halfjaar van zijn optreden toen Hij beloofde Leven gevend water te geven en wijn het teken en zegel maakte van eeuwig leven in vrede en vrijheid.

Na het wijnwonder in Galilea stond niets Jezus meer in de weg om aan mensen duidelijk te maken wie Hij was en waarom Hij naar de aarde was gekomen. Dat gebeurde overigens niet in Galilea, maar in Judea waarheen na de bruiloft was teruggekeerd om het Paasfeest te vieren. Iedereen ging met Pasen naar Jeruzalem. Het was daar een drukte van belang. Vooral op het tempelplein. De veehandelaren die normaal gesproken hun vee bij de Schaapspoort te koop aanboden, waren op het tempelplein gaan staan met hun paaslammeren23. En omdat de paaslammeren niet met het Romeinse bezettingsgeld betaald mochten worden, waren de geldwisselaars ook op het tempelplein gaan zitten. Het tempelplein leek eerder een marktplaats dan een plaats van rust en gebed. Toen Jezus al die drukte zag, werd Hij zo kwaad dat Hij de herders met hun lammeren het tempelplein afjoeg en de tafeltjes van de geldhandelaren omver gooide. Zeer tot ongenoegen ergernis van de Farizeeërs. Waar haalde Jezus het recht vandaan om zo op te treden? Maar het antwoord dat Hij gaf, was wel het meest ergerlijke. Wilde Jezus zeggen dat Hij in Zijn eentje de tempel in drie dagen kon opbouwen waar honderden mensen indertijd 46 jaar over hadden gedaan? Wilde Hij daarmee soms zeggen dat Hij de Messias was24?

Hoe kwaad de Farizeeërs ook waren, de gewone mensen genoten van wat Jezus zei en deed. Meer nog, door wat Hij zei en deed, gingen heel veel mensen in Hem geloven! Opvallend veel en veel meer dan door Johannes de Doper tot bekering waren gekomen. Dat zat de Farizeeërs helemaal niet lekker. Vooral niet nadat Herodes Johannes de Doper gevangen genomen had en de volle aandacht van de mensen op Jezus viel. Hun irritatie over het gedrag van Jezus werd toen pure haat. Dodelijke haat, waardoor het voor Jezus niet langer vertrouwd was om in Judea te blijven. Hij is daarom toen maar terug gegaan naar Galilea, waar Hij vooreerst in alle rust de mensen zou kunnen vertellen over het Goede Nieuws van de HERE God. Opmerkelijk genoeg is Hij toen niet naar Nazareth gegaan, het dorpje waar Hij Zijn jeugd had doorgebracht en tot voor kort woonde. Hij ging eerst opnieuw naar Kana, de plaats waar Hij met het wijnwonder Zijn optreden was begonnen. Blijkbaar wilde Jezus ook Zijn optreden in Galilea spectaculair beginnen. Hij deed door in Kana de zoon van de hoge ambtenaar van Herodes Antipas25 uit Kapernaum te genezen. De ambtenaar was naar Kana gegaan omdat hij ervan overtuigd was dat Jezus zijn ernstig zieke zoon genezen kon. Desnoods op afstand. Want toen Jezus niet met de man meeging, maar zei dat de jongen genezen was, geloofde de man Hem onvoorwaardelijk. Meer nog, hij wist en geloofde dat Jezus de Christus was. Dat was een nog veel groter wonder. Een Romeinse heiden geloofde dat niet de keizer van Rome, maar de Jood Jezus de Heiland was!

Na dat tweede wonder in Kana en buitengewoon spectaculaire begin van zijn optreden in Galilea is Jezus naar zijn vroegere woonplaats Nazareth gegaan. Zijn vroegere dorpsgenoten keken nu toch wel wat anders tegen Jezus aan. Misschien vonden zij het wel een hele eer dat hun vroegere dorpsgenoot van die machtige wonderen kon doen. Hoe het ook zij, toen Jezus de eerstvolgende sabbat met hen meeging naar de synagoge vroegen zij Hem om het gedeelte uit de bijbel dat volgens rooster die sabbat gelezen moest worden. 'Toevallig' was dat het gedeelte uit de profetie van Jesaja26  waarin hij spreekt over de komende Messias. Over Jezus Zelf dus. Zo zei Hij dat ook. Maar dat ging de inwoners van Nazareth te ver. Wat verbeeldde Jezus Zich wel. Hij, de zoon van een aannemer, de Messias? Wat verbeeldde Hij zich wel! Woedend sprongen ze op om Hem de synagoge en vervolgens het dorp uit te jagen. Eens en voor altijd. Want Jezus is daarna nooit weer naar Nazareth teruggegaan. Hij had, zoals Hij dat later tegen de discipelen zou zeggen, zelfs het stof van de stad van Zijn schoenen afgeveegd. Dat gold niet voor de inwoners van de andere dorpen en steden in Galilea aan wie Hij voluit kon vertellen over het Koninkrijk van God. De blijde boodschap die Hij bracht en de machtige daden waarmee Hij die boodschap onderstreepte, maakten zoveel indruk dat iedereen in de wijde omgeving Hem kende. Zelfs tot in Syrië toe. Van heinde en ver kwamen de mensen naar Hem toe om te horen wat Hij zei en te zien wat Hij deed.

Toen Jezus weer eens in Kapernaum was, is Hij op een dag al vroeg in de ochtend naar het meer gegaan om Petrus en de andere vissers op te zoeken. Op het moment dat Hij daar aankwam waren alleen Petrus en Andreas nog aan het vissen, terwijl de anderen de netten al aan het spoelen waren. Vissen had toch geen zin meer. De hele nacht hadden ze niets gevangen. Petrus en Andreas konden eigenlijk ook maar beter ophouden. De zon was al op en het begon alweer warmer te worden. De vissen die 's nachts vlak aan de oever zwommen hadden dus inmiddels koeler en dieper water opgezocht. De enkele vis die misschien nog vlak aan de oever zat, werd wel weggejaagd door de grote groep mensen die met Jezus waren meegekomen. Petrus zag dat blijkbaar ook in en stopte toen ook maar met vissen. Inmiddels waren er zoveel mensen om Jezus gaan staan, dat er nauwelijks nog ruimte was om hen toe te spreken. Jezus vroeg daarom aan Petrus om Hem met zijn bootje een eindje het meer op te varen. Dan kon iedereen op de oever Hem goed zien en horen. Petrus deed dat maar al te graag. Nog met de netten aan boord. Dat kwam goed uit. Want toen Jezus uitgesproken was zei Hij tegen Petrus dat hij toch maar eens opnieuw moest gaan vissen. Maar nu in diep water. Reken maar dat Petrus heel even heel erg verbaasd keek. Jezus wist toch dat hun netten niet geschikt waren om in diep water te vissen27? Toch deed Petrus wat Jezus hem vroeg. Een pure geloofsdaad! Hij geloofde dat Jezus dingen kan doen of laten gebeuren die het verstand en de ervaring van mensen ver te boven gaan. Daarin werd Petrus niet beschaamd. Want nauwelijks hadden hij en Andreas het net in het water laten zakken, of het zat barstensvol met vis. Twee bootjes waren nauwelijks groot genoeg om al die vissen te bergen. Johannes en Jakobus, die zagen wat er gebeurde, konden hun ogen niet geloven! Petrus was helemaal van de kaart. Maar dat was nu juist de bedoeling niet. Petrus moest kordaat zijn! Om visser van mensen worden en Jezus te volgen. Net zoals de andere vissers.

Toen Jezus een paar dagen later opnieuw temidden van een opdringende mensenmenigte naar het meer ging, zat daar de tollenaar Levi voor zijn huis naar de drukte te kijken. Hij zat daar niet toevallig. Voor die avond had hij namelijk een feestje georganiseerd ter ere van Jezus. Naast Jezus en Zijn discipelen had hij daarvoor al zijn collega's uitgenodigd. Levi was, om het zo te zeggen, zoals wel meer van zijn collega's, een echte 'fan' van Jezus. Dat bleek wel toen Jezus hem vroeg Zijn discipel te worden. Levi hoefde geen moment na te denken, hij stond op en volgde Hem. Niet wetend dat hij later als de evangelist Mattheus een volledig verslag moest schrijven van alles wat Jezus zei en deed toen Hij op aarde was28. Met de roeping van Levi was het twaalftal van de discipelen compleet. Thomas, Jakobus, Taddeüs, Simon en Judas Iskariot waren waarschijnlijk al eerder door Jezus gevraagd Hem te volgen. Misschien waren ook zij aanvankelijk wel een discipel van Johannes de Doper. We weten het niet en de Bijbel zwijgt erover. Wel weten wij dat zij gezien hebben dat Johannes de Doper Jezus gedoopt had. Ook weten we dat Jezus hen samen met de anderen niet zo lang daarna gevraagd heeft Hem overal en altijd te volgen. Dat was toen Hij hen apostel maakte om namens Hem29 te vertellen over Gods reddingsplan voor mensen. Een mooie maar moeilijke taak. Want, zo waarschuwde Jezus de discipelen, de mensen zouden niet altijd en overal positief reageren op Zijn boodschap. De vrede die Hij bracht was namelijk niet de vrede waarop de mensen zaten te wachten. Door Hem zullen menselijke relaties juist zwaar onder druk komen te staan. En mensen die niet bij Jezus horen, haten de mensen die wèl bij Hem horen. Met een diepe haat en zij zullen van alles doen om het leven van Jezus' volgelingen moeilijk te maken. Maar daarvoor hoefden de discipelen niet bang te zijn. Mensen kunnen wel het lichaam doden maar niet de ziel. De enige voor wie je bang moet zijn als je Jezus wilt volgen, ben jezelf waarschijnlijk. Want om Jezus te volgen moet een mens alles opzij zetten. Allereerst zichzelf. Dat is voor een mens zowat het moeilijkste dat er is. Vooral wanneer als je bestaanszekerheid in gevaar dreigt te komen. Maar wie zichzelf niet opzij wil zetten, of -zoals de Bijbel dat zegt- zijn kruis niet op zich wil nemen, is niet waard christen te zijn. Wie om zijn eigen hachje te redden, zegt Jezus niet te kennen, die wordt door Hem niet gekend. Hoe gemakkelijk het is om te zeggen dat je Jezus niet kent, heeft Petrus ervaren in de nacht dat Jezus gevangen genomen was. Petrus kende Jezus maar al te goed, drie jaar lang had hij in Zijn onmiddellijke nabijheid mogen zijn. Vlak voordat Jezus gevangen genomen zou worden had uitgerekend hij nog gezegd dat hij alles voor Hem over had. Petrus was ook de enige discipel die op het moment dat Jezus gevangen genomen werd, erop los sloeg. Het scheelde werkelijk maar een haar of hij had de knecht van de hogepriester doodgeslagen. Petrus was ook de enige die desondanks het lef had naar de binnenplaats van het paleis van de hogepriester te gaan om te zien wat er met Jezus zou gebeuren. Maar toen hij alleen tussen mensen stond die niets van Jezus moesten hebben, werd hij bang en ontkende hij tot drie keer toe Jezus te kennen. Zonder blikken of blozen. Pas toen Jezus hem aankeek besefte hij hoe verschrikkelijk hij toch weer aan zichzelf had gedacht. Naar de mens gesproken zou je zeggen dat hij toen voor eens en altijd wist wat het betekent letterlijk alles voor Jezus over te hebben. Toch zei Jezus een paar weken na Zijn opstanding juist tegen Petrus hoe belangrijk het is alles en vooral jezelf voor Hem opzij te zetten.

Hoewel Jezus al op de dag van Zijn opstanding de discipelen gezegd had naar Galilea te gaan , zijn zij naar de gewoonte van altijd en iedereen pas na het Feest van de Ongezuurde Broden naar Galilea gegaan30. Daar aangekomen zijn ze waarschijn net zoals in Jeruzalem, dagelijks bij elkaar gekomen om met elkaar te praten en de komst van Jezus af te wachten. Maar toen Hij na een paar weken nog steeds niets van zich had laten horen, is Petrus tijdens zo'n bijeenkomst opgestaan en zei hij dat hij weer ging vissen. De anderen waren het daarmee van harte eens en zijn ook weer gewoon aan het werk gegaan. Als je daarover goed nadenkt was dat eigenlijk een heel triest moment. Waren de discipelen dan helemaal vergeten dat Jezus tegen hen gezegd had dat zij geen gewone vissers meer zouden zijn maar vissers van mensen? Waren zij Jezus Zelf soms vergeten? Leefde Hij niet echt meer voor hen? Het leek er wel op. Want toen Jezus op een dag toch naar Galilea gekomen was en hen vroeg in de ochtend opzocht aan het meer, herkenden zij Hem niet meer. Terwijl het inmiddels toch licht genoeg was geworden om Hem te zien en zij nauwelijks 100 meter bij Hem vandaan aan het vissen waren. Zij herkenden Hem zelfs niet toen Hij, omdat zij die nacht niets gevangen hadden31, hen adviseerde eens precies andersom te gaan vissen. Dus door de vissen nu eens niet van diep naar ondiep water op te jagen, maar van ondiep naar diep water32. Drie jaar eerder had Jezus precies zo'n 'onzinnig' advies gegeven. Dat was vlak voordat Hij hen en Petrus in het bijzonder vissers van mensen gemaakt had! Maar niemand die daaraan blijkbaar dacht of zelfs Jezus herkende. Dat gebeurde pas toen zij toch maar eens andersom waren gaan vissen en hun netten ineens barstensvol met vis zaten. Johannes was de eerste die Jezus herkende. Petrus was de eerste die uit de boot sprong en naar Hem toe ging. Toen even later ook de anderen op het smalle strand stonden, bleek dat Jezus hun vissen helemaal niet nodig had. Op een vuurtje lagen al een paar vissen en broodjes te roosteren. Als ontbijt33 en om samen met Jezus te eten. Wat dat betekende wisten de discipelen maar al te goed. Samen eten van een enkel brood is immers samen één zijn. Jezus' vraag om samen te eten was dus in feite opnieuw een dringend appèl één met Hem te zijn34. Het brood dat Hij geeft betekent eeuwig leven, dat was Hijzelf.

Na het eten heeft Jezus Petrus even apart genomen voor een gesprek onder vier ogen35. Volgens sommige Bijbelverklaarders wilde Jezus Petrus nog even spreken over het feit dat hij ontkend had Hem te kennen toen Hij gevangen genomen was. Misschien wilde Jezus inderdaad daarover met hem, maar er was meer. Jezus wilde Petrus vooral erop aanspreken dat hij de discipelen het verkeerde voorbeeld gegeven had door zijn oude beroep van visser weer op te pakken. Uitgerekend Petrus, de man waarop Jezus had willen bouwen en de man tegen wie Hij drie jaar eerder zo nadrukkelijk gezegd had in het vervolg een visser van mensen te moeten zijn. En toen het voor de rijke jongeling teveel gevraagd was alles voor Jezus opzij te zetten, had Petrus toch gezegd alles voor Hem over te hebben ? Nu wilde uitgerekend hij weer gewoon visser te willen worden. Het leek wel of Petrus niet werkelijk bereid was zijn beroep en bestaanszekerheid voor Jezus opzij te zetten36. Daarom vroeg Jezus Petrus nog eens en heel indringend of hij wel echt van Hem hield. Of hij werkelijk bereid was alles voor Hem opzij te zetten37. Toen gebeurde er een wonder. Petrus wilde dat. Van harte. Hij had nu werkelijk alles voor Jezus over, zelfs zichzelf. Dat hij daarmee geen woord teveel zei bleek wel uit wat Jezus toen tegen hem zei. Hij mocht nu echt visser van mensen zijn; 'Herder van Zijn kudde' noemde Jezus dat.

Want je kunt alleen maar ambtsdrager in de kerk van Jezus Christus zijn als je voor Hem alles opzij zet. Je kunt Christus niet volgen wanneer je jezelf niet opzij zet.


1 In 1948 werden bij Qumran (een plaatsje vlakbij de Dode Zee ten zuiden van Jericho en aan de rand van de woestijn) een aantal boekrollen ontdekt die in detail beschreven hoe de Essenen leefden. Niet lang daarna werden daar ook de restanten van hun woongemeenschap gevonden. Onder de boekrollen (later de Dode-Zee rollen genoemd) waren ook Bijbelse boekrollen, zoals de profetie van Jesaja, die nog altijd de oudste uitgaven van de bijbel of delen daarvan zijn.

2 De Essenen vormden een sekte van ongeveer 4000 mannen die in de periode 150 v.Chr. tot de verwoesting van de tempel in 70 na Chr. actief waren. In de Bijbel wordt deze sekte, in tegenstelling tot die van de Farizeeërs en Sadduceeërs niet met name genoemd.

3 De Essenen leefden in gemeenschap van goederen en hielden zich met nauwelijks iets anders bezig dan de bestudering van de Tora en zeer nauwgezette naleving daarvan.

4 Voor de Farizeeërs en schriftgeleerden lag dat heel anders. Later zou Jezus tegen de gewone man en vrouw zeggen dat zij wel moesten doen wat de Farizeeërs en schriftgeleerden hun leerden over de wet, maar niet hun voorbeeld te volgen. Dat leek namelijk nergens op.

5 De Joden geloven dat voorafgaand aan de komst van de Messias, Elia zal terugkomen. Jezus vertelt hierover wanneer hij aan zijn discipelen uitlegt wie Johannes de Doper was (zie voetnoot 24). Jezus citeert daarbij de profetie van Maleachi. (Maleach 4,5) 

6 Pas toen Johannes de Doper Jezus gedoopt had wist hij wie Hij was (zie later dit hoofdstuk en Johannes 1,33-34

7 Pilatus zou later een paar vrijheidsstrijders uit Galilea op het tempelplein laten vermoorden en hun bloed mengen met het bloed van het dier dat geslacht werd tot verzoening van de zonden. (Lucas 13,1)

8 Uit het vervolg van de geschiedenis van Johannes de Doper blijkt dat Petrus,, Andreas, Filippus en Nathanaël. Johannes de Doper als leerling volgden. Volgens de overlevering zou ook Johannes daarbij horen, hij zou de discipel zijn die samen met Andreas Jezus achterna ging (Johannes 1,37-41).

9 Uit het slot van het evangelie van Marcus blijkt dat er ook vrouwen waren die Jezus volgden en dienden. (Marcus 15,41)

10 Dat gold ook de man die, toen Jezus hem vroeg Hem te volgen, zei eerst zijn vader te willen begraven. Jezus’ verzoek kwam voor hem niet onverwacht; hij wilde Hem wel volgen (Lc 9,59). De fout van de man was dat hij Jezus niet zag als Zoon van God en dat Hem volgen een volkomen toewijding betekent. Jezus' vraag Hem te volgen was, zoals voor iedereen, voor de man niets minder dan de vraag zichzelf aan God te wijden. En in dat geval mocht de man niet in de buurt komen van een dode, ook al was de dode zijn vader of moeder (Numeri 6,6-7).

11 Omdat wij eeuwenlang de aardse ouders van Jezus als Jozef en Maria hebben leren kennen, zouden we haast vergeten dat de Hebreeuwse namen van Zijn vader en moeder Jossi en Mirjam waren.

12 Waar Johannes de Doper toen was vertelt de Bijbel niet. Johannes doopte namelijk in het hele stroomgebied van de Jordaan (Lucas 3,3a). Aanvankelijk in het zuiden, in de buurt van Bethanië (Johannes 1,28), later iets noordelijker in de buurt van Aenon (Johannes 3,23). Vooral Amerikaanse Baptisten menen echter dat Jezus in het noordelijk stroomgebied van de Jordaan is gedoopt, in de buurt van Bethabara (in sommige handschriften wordt die naam ook genoemd voor ). Daar, op het punt waar de Jordaan het meer van Galilea verlaat, is tegenwoordig een geweldige doopplaats te vinden. Erg waarschijnlijk is deze zienswijze echter niet. De Bijbel vertelt immers dat Jezus Galilea verliet om Zich te laten dopen.

13 De Bijbel vertelt niet hoe oud Maria was toen zij in verwachting zou zijn van Jezus. Alleen dat zij nog een jonge vrouw  was (Lucas 1,27a). Er zijn buiten-Bijbelse bronnen die suggereren dat Maria waarschijnlijk een jaar of 16 was toen de engel haar verscheen. En dat Jozef, haar verloofde of beter gezegd de man voor wie zij bestemd was, een veel oudere weduwnaar met een paar kinderen was.

14 Dat de twaalf discipelen getuige waren van Jezus' doop blijkt uit het verslag van de verkiezing van de twaalfde apostel in de plaats van Judas. Het moest een man zijn die getuige was geweest van alles wat Jezus had gedaan, inclusief Zijn doop. (Handelingen 1,21-22a)

15 Een paar weken eerder had Johannes nog ontkend dat hij de Elia zou zijn waarover Maleachi had gesproken (Johannes 1,21)

16 Het beeld van het lam als symbool van volstrekte gehoorzaamheid is ontstaan uit de geschiedenis van Abraham die toen hij op het punt stond zijn enige zoon Isaäk te offeren een lam (ram) van God ontving in zijn plaats

17 God had Abraham eerst uit Ur laten vertrekken. Weg verleden dus. Daarna in Ur, moest hij ook nog zijn familie vaarwel zeggen.,

18 God had Abraham beloofd hem een ontelbaar nageslacht te geven. Maar als hij Isaäk, zijn toekomst!,  zou offeren was de kans daarop menselijkerwijs verkeken.

19 Jezus heeft zijn Vader gehoorzaamd tot in de dood aan het kruis (Filipenzen 2, 5-8). Dat is veel verder dan een gewoon mens zou kunnen.

20 Volgens de Bijbel was Andreas de ene discipel (Johannes 1,41) en volgens de overlevering Johannes de andere.

21 Volgens sommige Bijbeluitleggers volgt Johannes in zijn evangelie de Romeinse tijdrekening. Vier uur ’s middags (letterlijk het tiende uur) zou dus tien uur ’s morgens zijn. (Dr J.van Bruggen in ‘Christus op aarde’.)

22 De Joden hechten bijzonder aan het gezins- en familieleven. De grote religieuze feesten en een huwelijk worden daarom altijd in de ruime familiekring gevierd. Alle ooms en tantes, neven en nichten, achterneven en -nichten worden daarvoor uitgenodigd. En zo was ook Maria, de moeder van Jezus en Zijn broers op de bruiloft in Kana (zie Johannes 2)

23 Soms wordt wel gedacht dat het normaal was dat veehandelaren offerdieren op het tempelplein te koop aanboden. Hoewel dat heel goed mogelijk is, moeten we waarschijnlijker eerder eraan denken dat juist tegen de Paasdagen veehandelaren (herders uit de velden van Efrata) paaslammeren te koop aanboden. Dat zij daar juist voor de Paasdagen waren was omdat de Israëlieten vijf dagen voor Pasen een lam moesten slachten.

24 In de Middeleeuwen heeft de Joodse geleerde Maimonides mede op grond van deze profetie verklaard dat de Messias herkend kon worden doordat hij de tempel in 3 dagen zou opbouwen. In het proces tegen Jezus aan het einde van Zijn leven zou juist Zijn uitspraak over de herbouw van de tempel één van de belangrijkste aanklachten tegen Hem zijn.

25 Er waren wel meer hoge ambtenaren die heel veel sympathie voor Jezus hadden. Johanna, de vrouw van Chuzas, was zelfs een discipel van Jezus. (Lucas 8,1-3)

26 Men denkt wel eens dat Jezus vrij was in Zijn keuze om een gedeelte uit de profetieën voor te lezen en daarom het gedeelte uit de profetie van Jesaja dat op Hem sloeg uitkoos om te lezen. De Joodse traditie kent echter geen enkele vrijheid in de liturgie. Voor iedere sabbat is van te voren precies vastgesteld welk gedeelte uit de Thora (in hoofdstuk 6 komt dit nog eens aan de orde) en de profeten voorgelezen moet worden. Die liturgie geldt bovendien wereldwijd. Dat betekent dus dat in iedere synagoge, waar ook ter wereld, op een bepaalde sabbat van het jaar dezelfde gedeeltes uit de wet en de profeten worden voorgelezen

27 De vissers van het meer van Galilea visten doorgaans in ondiep water vlakbij of tot op ongeveer 100 meter uit de oever van het meer. De netten (meestal 3) werden in een u-vorm als een soort fuik met de open zijde richting meer rechtopstaand  in het ondiepe water geplaatst en op de bodem vastgezet. De vissers deden dat meestal naakt of met heel weinig kleding staande in het water, zie Johannes 21,7b en de NBG vertaling van Marcus 1,16 waar staat dat Petrus 'in het water stond'. Wanneer de netten eenmaal stonden werden de vissen vanaf het meer richting oever opgejaagd richting oever en net.

28 Levi vertelt daarover zelf als hij zichzelf al Matteüs noemt toen Jezus hem vroeg Hem te volgen. (Matteüs 9,9)

29 Het Griekse woord voor ‘apostel’ betekent ‘bode’ of ‘gezant’. Toen Jezus de discipelen tot apostel aanstelde, heeft Hij daarbij ongetwijfeld gedacht aan de Hebreeuwse betekenis en het woord ‘sjaliach’ gebruikt. Dat betekent ‘de autorisatie tot een bepaalde opdracht’. Een apostel is dus de vertegenwoordiger van iemand en beschikt over een volledige last en mandaat. Daarop wijzen ook de woorden van Jezus in Johannes 13,20.

30 Jezus heeft de discipelen nadat Hij hen op de dag van Zijn opstanding had opgezocht, precies een week later nog eens in Jeruzalem opgezocht.

31 Dat zij niets gevangen hadden bleek toen Jezus hen vroeg of zij iets voor hem te eten hadden. Zij antwoordden zij dat niet hadden en Jezus zei daarop dat zij een beter resultaat zouden hebben als zij zijn advies zouden volgen.

32 Zie ook eerder dit hoofdstuk waarin verteld werd dat de vissers 3 netten in een U-vorm in het water plaatsten met de open zijde naar het en de vissen vanaf het meer richting oever en netten opdreven

33 Sommige vertalingen hebben het Griekse woord dat voor de gezamenlijke maaltijd gebruikt vertaald met 'ontbijt'. Andere vertalingen, waaronder de Statenvertaling en sommige Engelse vertalingen, hebben het woord vertaald met 'middageten'. Dat komt omdat het oorspronkelijke woord in beide betekenissen gebruikt worden en is afhankelijk van het moment waarop gegeten wordt ontbijt of diner (lunch).

34 Vaak denkt men dat wanneer in het Nieuwe testament gesproken wordt over een gemeenschappelijke maaltijd, daarmee het Avondmaal wordt bedoeld. En hoewel die gedachte in veel gevallen ook wel juist zal zijn, was een gemeenschappelijke maaltijd voor de volken in het Midden-Oosten en de Joden in het bijzonder toch allereerst een symbool van eenheid en teken dat men bij elkaar hoort. Ook in de christelijke kerk vlak na Pinksteren. Toen Jezus de discipelen op die vroege ochtend uitnodigde met Hem te gaan eten, zullen de discipelen allereerst daaraan hebben gedacht. Dat is ook de betekenis die Johannes later verwoordt in de brief aan de gemeente van Laodicea 'Ik zal met u de maaltijd houden, één met u zijn' (Openbaring 3,20)

35 Toen Jezus met Petrus een eindje bij de anderen vandaan liep, werden zij Johannes gevolgd.

36 Met wie of wat Jezus Petrus’ liefde voor Hem vergelijkt is niet helemaal duidelijk. Volgens de vertaling van Het Boek zijn dat de andere discipelen

37 Sommige vertalingen hebben de oorspronkelijke tekst zo vertaald dat het lijkt of Jezus aan Petrus vroeg of hij meer dan de andere discipelen van Hem hield (Johannes 21,15a). Maar het woord dat Jezus gebruikt voor ‘liefde’ (agape) gebruikte, duidt op een liefde die zichzelf niet zoekt, een liefde waarvoor je alles opzij zet. Het is het woord dat Paulus in 1 Korintiers 13,3 gebruikt. En de woorden ‘meer dan deze’ duiden eerder op de vissen die zij hadden gevangen (Johannes  21,11) dan op de discipelen.